Zoeken
Search this site
29 resultaten gevonden met een lege zoekopdracht
- Maaiveld en infiltratie rond een boom | Bomen-online.info
Het type maaiveld bepaalt de bodembelasting en infiltratiemogelijkheden rond een boom. Beide zijn essentieel voor een gezonde groeiplaats. Bomen-Online.info Kennis & informatievoorziening voor: -- Boom en voor groene, grijze en blauwe buitenruimtes -- Boom Effect Analyses & Boom Effect Adviezen -- 2D en 3D Tuin- en landschapsoplossingen -- llustraties, visualisaties & kennisontwikkeling De infiltratiemogelijkheden rond een boom Het type maaiveld en de infiltratiecapaciteit rondom een boom hebben een aanzienlijke invloed op de waterhuishouding en dus op de uitkomst van de groeiplaatsberekening. In de criteria voor de aanleg van een boomgroeiplaats is reeds aangegeven dat bij afwijkende kwaliteitscriteria de groeiplaats soms wordt vergroot ter compensatie. Bij bomen in verhard gebied, waar de beworteling zich voornamelijk onder de verharding ontwikkelt, wordt doorgaans een opslagpercentage van circa 35% gehanteerd. Dit is afhankelijk van factoren zoals het type verharding, het soort en het aantal verkeersbewegingen maar ook de mate van infiltratiecapaciteit. Mogelijke oplossingen zijn het toepassen van speciale groeiplaatsystemen (zoals een bomenbunker), het gebruik van speciaal samengesteld bomenzand of bomengranulaat, het vervangen van verharding door half-verharding om de waterdoorlatendheid te verbeteren, het plaatsen van wortelbegrenzers ter begeleiding van de wortelgroei, het aanbrengen van beluchtingselementen voor optimale zuurstoftoevoer en het selecteren van geschikte boomsoorten. 4.0 Type maaiveld beïnvloed de groeiplaatsberekening INHOUD: Type maaiveld beïnvloed de groeiplaatsberekening Natuurlijk regenwater en zuurstof zijn belangrijk De infiltratiemogelijkheden hangen af van 3 factoren Voorbeeld 1 Voorbeeld 2 De stamvoet van een boom Voorbeeld 3 Voorbeeld 4 Richtlijnen va diverse Boomspiegels Een compostlaag, heeft veel effect op een boom 1.0 Groeiplaatsberekening 3.0 Grondwaterstanden 2.0 Waterhuishouding Figuur 1 geeft een overzicht van verschillende maaivelden en hun infiltratiecapaciteit als onderdeel van de boomgroeiplaats volgens vier vuistregels. De nummers 1 tot en met 3 zijn aanklikbaar en verwijzen naar de juiste informatiepagina. Er is ook een PDF met hoge leeskwaliteit die op een aparte pagina opent boomgroeiplaats Voor een optimale groei moet een boom kunnen beschikken over natuurlijk regenwater, vooral wanneer er sprake is van een hangwaterprofiel . Daarnaast is een verbinding met de buitenlucht belangrijk, aangezien zuurstof essentieel is voor het functioneren van de aanwezige bodemschimmels (mycorrhiza). Infiltratiemogelijkheden voor regenwater en zuurstof zijn dus noodzakelijk voor het bodemleven rond en onder de boom, en dus ook voor de ontwikkeling van de boom. Dit is ook te zien in het voorbeeld van de terrasplant. De terrasplant in situatie 2 kan nauwelijks natuurlijk water opvangen zonder een bijpassende watergeefschotel. Bij situatie 3 is dit echter anders. De terrasplant in situatie 4 vergt nog minder aandacht op uw terras, omdat deze is verpot in een grotere pot en voorzien is van een watergeefschotel. Natuurlijk regenwater en zuurstof zijn belangrijk voor een boom Afbeelding 1: Aan de hand van een terrasplant worden er diverse situaties weergegeven die ook van toepassing zijn op een boom Situatie 1 Situatie 2 Situatie 3 Situatie 4 De beschikbaarheid van natuurlijk regenwater en zuurstof voor een boom wordt doorgaans bepaald door drie factoren: Het type maaiveld volgens Tabel 1 bepaalt de infiltratiemogelijkheden rond een boom. Ook de afmetingen, bijvoorbeeld van de boomspiegels (zie Tabel 2 en 3 onderaan deze pagina) kunnen bepalend zijn. De ligging en de hoogte van de stamvoet ten opzichte van de overige aansluitende onderdelen (het maaiveld) bepalen of het regenwater bij regenval naar de boom toe stroomt of juist van de boom af. Daarnaast is er nog wel eens sprake van concurrerende bomen of planten. De infiltratiemogelijkheden hangen af van 3 factoren Tabel 1: De infiltratiemogelijkheden rond een boom is afhankelijk van het type maaiveld We beginnen meteen met enkele voorbeelden waarin alle criteria met betrekking tot bodeminfiltratie vanzelf ter sprake komen. We starten met waterconcurrerende vegetatie rond de boom. Afbeelding 2 toont lichte opdruk van de bestrating, wat kan duiden op een tekort aan ondergrondse (groei)ruimte voor de boom. De klinkerverharding kan wel enig regenwater opnemen (zie Tabel 1: De infiltratiemogelijkheden rond een boom), maar bij hevige regenval stroomt het regenwater mede door de opdruk van de bestrating weg van de boom. Het grootste bezwaar aan de groeiplaats is echter dat de beukenhaag ervoor zorgt dat de boom minder natuurlijk regenwater ontvangt. Voorbeeld 1 - Infiltratiemogelijkheden Afbeelding 2 Door het gunstige type maaiveld, kan de boom voldoende zuurstof en natuurlijk regenwater krijgen. Daarnaast ondervindt de boom geen extreme bodembelasting door verkeersbewegingen. Het is wel aan te bevelen een boomspiegel aan te leggen, vooral in gevallen van een hangwaterprofie l waarbij de boom volledig afhankelijk is van regenwater. Dit vermindert onder andere het risico op stambeschadigingen door gebruik van zitmaaiers, aangezien nauwkeurig maaien rondom de stam niet meer nodig is. Een boomspiegel vormt daarnaast ook de meest eenvoudige en kostenefficiënte methode voor bodemverbetering. Bovendien verbruikt een gemiddeld gazon aanzienlijk meer water dan vaak wordt aangenomen, namelijk ongeveer 5 tot 8 mm per m² per dag gedurende de zomer. Voorbeeld 2 - Infiltratiemogelijkheden Afbeelding 3 De vrij jonge boom volgens Afbeelding 3 staat met zijn stamvoet hoger dan zijn omgeving. Als deze boom op hetzelfde niveau was geplant, zou hij meer regenwater hebben kunnen opnemen. Nu vloeit het water van de boom weg in plaats van naar de boom toe. De ligging van de boom is dus niet optimaal, maar wel acceptabel voor deze situatie. Aankomen jaren zal de stamvoet in nog verder omhoog kruipen zoals in Figuur 2 goed te zien is. De stamvoet van een boom Figuur 2: Het niveau van een stamvoet groeit (of kruipt) in de loop der jaren omhoog De infiltratiemogelijkheden van de boom volgens Afbeelding 4 verkeert in aanzienlijk minder gunstige omstandigheden. De stamvoet is inmiddels omhoog gegroeid en bevindt zich veel hoger dan het fietspad en de rijbaan. Hierdoor kan de boom niet profiteren van het regenwater dat in zijn directe omgeving valt. De enige mogelijkheden voor waterinfiltratie voor de boom zijn de beperkte aanwezige 30x30 tegels. De rest van de omgeving is verhard met asfalt, wat praktisch geen regenwater kan opnemen en een hoge bodembelasting heeft. Voorbeeld 3 - Infiltratiemogelijkheden De opname van natuurlijk zuurstof, die noodzakelijk is voor het bodemleven, laat hier ook te wensen over. Gelukkig is hier waarschijnlijk sprake van een gunstige grondwaterstand, gezien de omvang en stamdiameter van de boom, wat wijst op een oudere boom. Afbeelding 4 Voorbeeld 4 - Infiltratiemogelijkheden Afbeelding 5 De beschrijving van de boom op Afbeelding 4 komt grotendeels overeen met die van de boom op Afbeelding 5. Het enige verschil is dat deze boom wat makkelijker toegang heeft tot natuurlijk regenwater. Bij regenval zal het water niet van de boom afvloeien, zoals in Afbeelding 5. Het enige positieve wat je nog zou kunnen benoemen is dat de aangrenzende verharding aangebracht is op een betonnen fundering, waardoor er geen wortelopdruk zichtbaar is. Een groot voordeel van betonplaten is dat zij zorgen voor een gelijkmatige drukverdeling (van bovenaf), wat bodemverdichting voorkomt. Hierdoor wordt de waterhuishouding niet verstoord. De oppervlakkige beworteling is geen goed teken. Dit duidt vaak op een tekort aan ondergrondse (groei)ruimte. Bomen in verharding hebben vaak alleen toegang tot natuurlijk regenwater en zuurstof via de boomspiegel. De onderstaande twee tabellen geven een indicatie van de minimale en ideale afmetingen van de boomspiegel in de verharding. Deze afmetingen zijn gerelateerd aan de grootte en leeftijd van de boom (zie ook: Bomen van de 1ste, 2de en 3de grootte ). Richtlijnen boomspiegels die wenselijk zijn voor een boom Tabel 2: Richtlijn voor minimale afmetingen van een boomspiegel in verharding Tabel 3: Richtlijn voor ideale afmetingen van een boomspiegel in verharding Door het tekort aan organische materialen is de grond of het maaiveld bij afbeelding 6 slempgevoelig. Slempen is het dichtvloeien van de bodemstructuur aan de bovenkant. Het aanbrengen van een afstrooilaag conform Afbeelding 7, bestaande uit een toplaag van 3 tot 5 cm compost, biedt dan een oplossing. Daarbij heeft dit ook andere voordelen. Een compostlaag aanbrengen heeft veel effect op een boom. Afbeelding 6: De grond binnen deze boomspiegel is slempgevoelig Afbeelding 7: Het afstrooien van de boomspiegel met een laag compost heeft verschillende voordelen De bovenkant van de spiegel krijgt hierdoor een open structuur wat bijdraagt aan een verbeterde opname van natuurlijk regenwater en zuurstof. De totale bovenlaag houdt meer vocht vast, het vermindert de verdamping aan de directe oppervlakte en als laatste stimuleert dit het bodemleven rondom en onder de boom. Het bodemleven manifesteert zich op verschillende dieptes, maar het meeste leven (80%) bevindt zich in de bovenste 20 cm van de bodem. Een compostlaag aanbrengen is doorgaans zeer effectief en wordt succesvol toegepast bij bestaande oudere bomen. Het proces kan elke drie jaar worden herhaald. Uiteraard heeft dit ook een aanzienlijke positieve uitwerking op bomen die niet in de verharding staan. Opmerking: Bij het aanbrengen van een mulch- of compostlaag is het belangrijk dat het gecomposteerde materiaal volledig is uitgerijpt. Dit voorkomt overmatig zuurstofverbruik en anaerobe afbraak (respiratieproef < 10 mmol O2/kg). Een goede schimmeldominante compost komt meestal van de compostering van houtige gewassen en bladmateriaal. Het heeft een losse structuur, ruikt naar schimmels (zoals champignonlucht) en mag niet zuur ruiken. Ook andere gecomposteerde materialen, zoals Bokashi kunnen gebruikt worden.
- Bodemtypes en bodemkwaliteit versus bomen | Bomen-online.info
Het bodemtype en de bodemkwaliteit hebben grote invloed op de ontwikkeling en toekomstverwachting van een boom. Bomen-Online.info Kennis & informatievoorziening voor: -- Boom en voor groene, grijze en blauwe buitenruimtes -- Boom Effect Analyses & Boom Effect Adviezen -- 2D en 3D Tuin- en landschapsoplossingen -- llustraties, visualisaties & kennisontwikkeling Bodemkwaliteit en verschillende bodemtypen voor bomen INHOUD: Vooraf doorlezen is wel een pre Bodemkwaliteit en bodemtypes Bomen in het bebouwd of stedelijk gebied Het ontstaan van onze bodems Vooraf Deze informatie behandelt de bodemkwaliteit en de gewenste bodemsamenstelling voor bomen. Deze vormen tevens belangrijke criteria voor de aanleg van een goede groeiplaats. Op deze pagina wordt regelmatig verwezen naar de onderstaande vier onderwerpen, maar deze worden hier niet afzonderlijk beschreven. Bent u nog niet bekend met deze vier onderwerpen, dan adviseren wij u deze eerst te raadplegen. De 4 belangrijkste basis bodemelementen Wat maakt bodemkunde dan soms zo ingewikkeld? Toelichting van de 4 belangrijkste basis bodemelementen Element Zand. Zand (ver)kleuringen Zandfractie en korrelgroottes (incl. Tabel) Kwaliteit- Zandfractie = Poriënvolume Het element zand. Vaak bepalend voor de bodemkwaliteit Element: Silt - Leem Element: Lutum – Klei Element: Organisch stof – Veen Tabel en classificaties Organisch stof Organische stof versus zandgrond Organische stof versus zwaardere bodemtypes Element: Löss (variant van silt) Overige bodemelementen Nederland kent feitelijk maar 3(4) bodemtypes! Het vaststellen van een bodemtype Wanneer is er dan sprake van een zandgrond? --- Leemlose zandgrond --- Leemarme zandgrond --- Lemige zandgrond --- Sterk leemhoudende zandgrond Wanneer is er dan sprake van een leemgrond? --- Lössgrond is een variant van leemgrond Wanneer is er dan sprake van een Kleigrond? Rivier- Jonge- en oude- zeeklei Lichtere (zavel) en zwaardere kleigronden --- Zavelgrond (zeer lichte kleigrond) --- Lichte kleigrond --- Matige kleigrond --- Zware kleigrond --- Veenachtige kleigronden Wanneer is er dan sprake van een Veengrond 2.0 Waterhuishouding. 1.0 Groeiplaatsberekening 3.0 Grondwaterstanden 4.0 Infiltratiemogelijkheden boomgroeiplaats Samenvatting van een boomgroeiplaats volgens vier vuistregels. Klik op de nummers 1.0 t/m 4.0 in de afbeelding voor meer informatie. Daarnaast is er een PDF met hogere leeskwaliteit, die automatisch op een andere pagina opent. Bodemkwaliteit en bodemtypes De afgebeelde plattegrond is een gedetailleerde kaart van Nederland, afkomstig van Bodemdata. Dit is een website die wordt onderhouden door Wageningen University & Research (WUR) en het Ministerie van Landbouw. De site is openbaar toegankelijk via https://bodemdata.nl/basiskaarten. Op deze website zijn meer dan 200 erkende bodemtypes opgenomen, weergegeven en tot in detail beschreven. De beschrijvingen zijn vaak zeer technisch van aard, waardoor ze voor de gemiddelde Nederlander moeilijk te begrijpen zijn. In essentie is het niet zo moeilijk, hoewel het op internet soms onbedoeld ingewikkeld wordt gemaakt. Hoe dan ook, elk kleurvlak op kaart 1 is een uniek bodemtype en bestaat uit verschillende grondlagen. Bodemkaart nr.1 biedt uitgebreide gegevens. Op deze pagina presenteren we op een vereenvoudigde manier de vier tot zes belangrijkste bodemtypes die in Nederland voorkomen volgens Bodemkaart nr.2. Met deze informatie krijgt u als mogelijke niet-deskundige een helder inzicht in de Nederlandse bodems Bodemkaart nr. 1: Detail kaart Bodemdata.nl Bodemkaart nr. 2: Bodemkaart met 6 bodemtypes. Bomen in het bebouwd of stedelijk gebied Het is belangrijk om te weten dat de bodemstructuren in bebouwde of stedelijke gebieden vaak zijn onderworpen aan intensieve grondbewerking, zoals bij de aanleg van rioleringen en andere infrastructuur. Hierdoor zijn de oorspronkelijke bodemtypes vaak niet meer herkenbaar. Het ontstaan van onze bodems Onze bodem, die meestal uit diverse grondlagen bestaat, is ontstaan door miljoenen jaren van slijtage aan stenen en rotsen, veroorzaakt en verspreidt door wind, water en ijs (ook vaak benoemd als erosie). Met andere woorden, het vrijkomende slijtagestof, vormt onze Nederlandse bodems. Dit proces vond voornamelijk plaats tijdens de ijstijden, maar het gebeurt ook vandaag de dag nog steeds. Denk bijvoorbeeld aan Saharazand dat op uw auto terechtkomt. Wetenschappers hebben berekend dat onze bergen over 1.000 jaar gemiddeld 2 à 3 meter lager zullen zijn als gevolg van erosie. Ook bij hedendaagse overstromingen neemt het water soms grote hoeveelheden slib mee. De 4 belangrijkste elementen en hun afmetingen Het organische stofgehalte is een element dat u kunt vergelijken met potgrond en wat in variërende hoeveelheden in elke bodem voorkomt (van zeer beperkt tot meer overvloedig, zoals bij veengrond). Naast dit organische stofgehalte, worden hieronder de drie belangrijkste korrelgroottes weergegeven. Deze vier genoemde elementen (incl. het organische stof) bepalen gezamenlijk (voor 95%) de opbouw van onze Nederlandse bodems. De indeling is dus niet veel ingewikkelder dan dit. De termen zand, slib en klei verwijzen naar de afmeting van het slijtagestof (zoals bij zandkorrels). Figuur 2: Samenvatting van de vier essentiële elementen die voor 90% het type bodem of de kwaliteit van de groeiplaats van bomen bepalen. Waar zit de complexiteit? Het is belangrijk duidelijk onderscheid te maken tussen een bodemtype, een samenstelling (die in dit document ook wel aangeduid wordt als grondlaag), en een element. Anders gezegd: een zandgrond (wat een bodemtype is, zie kolom A), een zandlaag of -samenstelling (kolom B), en het woord 'zand' zelf (wat een afmeting of korrelgrootte is, zie kolom C) hebben alle drie een totaal andere betekenis. Wat maakt bodemkunde dan soms zo ingewikkeld Figuur 3: De opbouw van een bodemtype. Omschrijvingen van de 4 belangrijkste bodemelementen in Nederland Onderstaand gaan we dieper in op de 4 hierboven genoemde elementen. Deze extra informatie is zeker nuttig om eens door te lezen. Daarnaast worden er enkele varianten nader omschreven. Dit geeft voldoende inzicht voor alle informatie die hier verder verstrekt wordt. Element Zand: Op de afbeelding hiernaast ziet u een schematische weergave van een paar gemiddelde zandkorrels, 25 keer vergroot. Een korrelgrootte tussen 0,063 mm en 2 mm wordt aangeduid als "zand". Als u goed kijkt, zijn sommige zandkorrels met het blote oog zichtbaar. Zand was een van de eerste elementen op onze planeet, waarschijnlijk afgezet tijdens een van de vroege ijstijden toen de aarde nog niet leefbaar was. Daardoor bevat het element zand weinig mineralen. Daarnaast begint de bodem in Nederland over het algemeen met een zandlaag aan de basis. Element nr. 1: Schematische afbeelding van zandkorrels (25x vergroot). Daarnaast is het belangrijk te vermelden dat : het element zand vaak in grote hoeveelheden voorkomt bij vrijwel elk bodemtype. Bijvoorbeeld, diverse kleigronden bestaan nog steeds voor 90% uit het element zand. Het element zand is dus een van de belangrijkste element voor de ontwikkeling van bomen. Zand (ver)kleuringen Element nr. 2: Schematische zandkorrels met een hoog ijzergehalte (25x vergroot). Element nr. 3: Schematische zandkorrels met een hoog kalkgehalte (25x vergroot). De kleur van zand wordt voornamelijk bepaald door het gehalte aan kalk en ijzer. IJzermineralen kunnen oxideren, wat kan resulteren in de verandering van wit zand naar lichtbruin. Zandlagen die door zeewater zijn gevormd, bevatten doorgaans veel kalk afkomstig van schelpen. Daarnaast kan de hoeveelheid organisch materiaal, zoals bij potgrond (zie volgende alinea), de kleur en kwaliteit van de zandlaag beïnvloeden.Elke boom heeft zijn eigen voorkeuren voor bodemtypen. Het is daarom belangrijk om een boom te kiezen die past bij het bodemtype, in plaats van te spreken over betere of slechtere opties. Zandfractie en korrelgroottes Tabel 1: Zand komt in verschillende korrelgroottes voor Op de overzichtskaart van Nederland worden de gebieden weergegeven die zijn ingedeeld in fijn zand, middelgrof zand en grof zand. Deze indelingen zijn vastgesteld op basis van bodemmetingen tot een diepte van ongeveer 350 cm. Omdat bomen vaak niet dieper wortelen dan 75 cm, kan dit soms een vertekend beeld geven. Veel boomsoorten groeien goed in een licht vochthoudende bodemtype met een grovere zandkorrelgrootte. Bodemkaart nr.3: Zandkorrelgrootte onderverdeeld in fijn zand, middelgrof zand en grof zand. Tabel 1: Zand komt in verschillende korrelgroottes voor. Zand is een veelvoorkomend in vrijwel elk bodemtype, maar de zandfractie zelf komt voor in verschillende soorten en maten, zoals zilverzand, metselzand, ophoogzand, speelzand en betonzand. Bomen hebben een voorkeur voor een losse en open bodemstructuur vanwege, wortelruimte, een hoog zuurstofgehalte, correcte capillaire werking, de goede waterbuffering met voldoende drainagecapaciteit wat de kans op bodemverdichting verminderd. Kort samengevat: het element zand, en vooral het soort element zand is heel erg bepalend voor de waterhuishouding van een boom. Deze eigenschappen worden vaak bepaald door de poriënruimte. Kwaliteit- zandfractie = Poriënvolume Bij element nr.4 zijn schematische zandkorrels afgebeeld (25 keer vergroot), waarbij de witruimtes op de afbeelding tussen de gele zandkorrels poriën worden genoemd. Het poriënvolume verwijst naar de ruimten die gevuld zijn met lucht of water tussen de vaste gronddeeltjes van de bodem. Element nr. 4: Gemiddeld zandfracties. Hoe groter de zandkorrel, de grootte van het element zand, hoe meer poriënvolume er ontstaat. In onderstaande tabel wordt duidelijk dat de verschillen tussen fijn en grof zand aanzienlijke effecten hebben op het poriënvolume. Zelfs bij zandgronden met een relatief laag gehalte aan humus en leem kunnen sommige boomsoorten zich nog steeds goed ontwikkelen. Bij zwaardere bodemtypes, zoals leem en kleigrond, speelt de grootte van de zandkorrel eveneens een belangrijke rol in de kwaliteit van het bodemtype. Element nr. 5: Grotere zandfracties. Een kleine zandkorrelgrootte van het element zand heeft vaak invloed op het poriënvolume, zoals weergegeven in onderstaande tabel. Daarnaast zijn fijnere zandkorrels, in tegenstelling tot de grotere zandkorrels, vaak rond van vorm, wat ook het poriënvolume beïnvloedt. De keuze aan bomen is hierdoor beperkt. Element nr. 6: Kleinere zandfracties. Hoekige zandkorrels creëren veel ruimte (poriën) tussen de zandkorrels, wat een gunstig effect heeft op het poriënvolume en daarmee op de waterhuishouding van een boom. Bij de aanplant van bomen in stedelijke, verharde gebieden wordt regelmatig speciaal samengesteld bomenzand gebruikt. Het type zand dat wordt toegepast kan variëren afhankelijk van de verkeersbelasting, maar hoekig zand wordt altijd gebruikt, vaak gecombineerd met 9% organische stof. Element nr. 7: Hoekige zandfracties, word ook gebruik bij speciaal samengesteld bomenzand. Ook de uniformiteit van de aanwezige zandfracties in een bodemtype is rechtstreeks gerelateerd aan het poriënvolume. Samengevat, het element zand binnen elk bodemtype is essentieel voor de waterhuishouding van bomen. Het percentage zand, dat doorgaans dominant aanwezig is in alle bodemtypes, speelt samen met de korrelgrootte, de vorm en de uniformiteit van de zandfractie een cruciale rol bij de ontwikkeling van bomen. Element nr. 8: Uniformen zandfracties. Het element zand speelt een cruciale rol in de bodemkwaliteit van bomen, ongeacht het type bodem Samengevat mede op basis van bovenstaande; bij alle benoemde bodemtypes volgens de onderstaande tabel is het element zand een veel voorkomend element en zeer bepalend voor de bodemkwaliteit die geschikt is voor bomen. 1.)- Het percentage van het element zand, samen met 2.)- de korrelgrootte, 3.)- de vorm en 4.)- de uniformiteit van de aanwezige zandfracties spelen een belangrijke rol bij de ontwikkeling van bomen. Wanneer aan de juiste criteria wordt voldaan (de kwaliteit van het element zand volgens de punten 1 t/m 4) , ontstaat er een ideale poriënstructuur. Deze optimale poriënstructuur zorgt voor wortelruimte, een hoog zuurstofgehalte, correcte capillaire werking, goede waterbuffering met voldoende drainagecapaciteit, wat de kans op bodemverdichting vermindert. Bovendien is zand stabiel en voorkomt het natuurlijke scheefstand van een boom. Echter, 60% van de bodemtypes voldoen vaak niet aan deze ideale criteria (1 t/m 4 ). Tabel 2: Het soort element zand is bepalend voor de bodemkwaliteit die geschikt is voor bomen. Element: Silt - Leem Hiernaast zijn schematische slib- of siltdeeltjes op schaal afgebeeld, eveneens 25 keer vergroot. Zoals u kunt zien, zijn deze deeltjes aanzienlijk kleiner dan de gemiddelde zandkorrel. Het woord "silt" is afkomstig uit Engeland, waar het "slib" betekent. Ook de term "verfijnd stof" zou een juiste benaming zijn. Slib- of siltdeeltjes variëren in grootte van 0,002 mm tot 0,063 mm, waarbij een afzonderlijk deeltje niet meer met het blote oog waarneembaar is. Slib of siltdeeltjes hebben geen directe relatie met bomen. Bomen groeien in de grond, maar de aanwezigheid van slib of silt in de bodem kan wel invloed hebben op de groei van bomen. Element nr. 9: Schematische afmetingen van slibdeeltjes (25x vergroot). Afbeelding 1: Slib- of siltdeeltjes. Slib, ook wel aangeduid als silt, wordt voornamelijk gevormd door water- en winderosie, grotendeels ontstaan tijdens de latere ijstijden. Tussen deze ijstijden bestond er leven op onze planeet, wat verklaart waarom slibdeeltjes beduidend meer mineralen bevatten dan bijvoorbeeld zand. Het transport van deze deeltjes heeft voor het grootste deel (70-80%) plaatsgevonden door wind. Daarom wordt silt beschouwd als een windafzetting en komt het praktisch in elk bodemtype voor, zij het soms in beperkte mate. Een bodem met veel siltdeeltjes wordt gekwalificeerd als een zwaarder bodemtype, wat zeker een negatief effect kan hebben op de waterhuishouding van een boom, aangezien deze minder water doorlaat dan zand en kleiig aanvoelt, hoewel klei niet de juiste benaming is. Slib- en siltdeeltjes beïnvloeden indirect de groei van bomen door hun aanwezigheid in de bodem. Element: Lutum – Klei Klei- of lutumdeeltjes, die wederom weer op schaal zijn afgebeeld (25 keer vergroot), zijn microscopisch klein met een afmeting van minder dan 0,002 mm. De herkomst en het ontstaan van lutum zijn praktisch vergelijkbaar met die van slib- of siltdeeltjes. Het transport van klei- of lutumdeeltjes heeft echter voornamelijk plaatsgevonden door stromend water, vaak veroorzaakt door overstromingen. Zodra het stromende water tot stilstand kwam, konden deze microscopisch kleine deeltjes bezinken. Vanwege hun aanzienlijk kleinere afmetingen dan slib- of siltdeeltjes, is hun doorlatendheid veel geringer. Kleideeltjes beïnvloeden de groei van bomen door de waterhuishouding, voedingsstoffenbeschikbaarheid en bodemstructuur te bepalen. Dit heeft invloed op de wortelgroei en algemene gezondheid van bomen Element nr. 10: Schematische afmetingen van klei - of lutumdeeltjes. 25x vergroot). Een bodemtype met veel klei- of lutumdeeltjes bevat veel mineralen en voedingsstoffen, maar beïnvloedt de waterhuishouding van bomen aanzienlijk. Dit type bodem wordt vaak als zwaar beschouwd, wat invloed heeft op de wortelgroei en algemene gezondheid van bomen. Niet elke boom is geschikt voor kleigrond. Het element komt praktisch alleen voor in het bodemtype kleigrond Interessant is om te vermelden. Nederland ontstond dankzij vruchtbare kleigronden, gevormd door rivieroverstromingen. Deze gronden maakten het in de middeleeuwen populair, wat bijdroeg aan onze huidige bevolkingsdichtheid. Element: Organisch stof - Veen Veen is officieel geen grondsoort omdat het geen vaste (korrel)afmeting heeft; het bestaat uit (half)verteerde plantenresten. Het wordt echter wel als bodemtype beschouwd, daarnaast is veen vergelijkbaar met grof organisch stof en daardoor is het een element. Wanneer veen in aanraking komt met zuurstof, vaak in de bovenlaag van de grond, wordt het door bodemmicro-organismen omgezet in wat bekend staat als veraarde grond. In deze grond zijn plantenresten niet langer herkenbaar en is er sprake van een samengestelde grondlaag met een hoog organisch stofgehalte. In tegenstelling tot veen is organische stof goed verteerd. Op zandgronden gedijen bomen meestal goed bij een hoog gehalte aan organische stof in de bodem. Wanneer dit gehalte echter boven de 16% stijgt, wordt zuurstof uit de bodem onttrokken. Tijdens de afbraak van organische stof worden zowel zuurstof als stikstof uit de bodem gehaald, wat vaak negatieve gevolgen heeft voor bomen. Element nr. 11 t/m 16: Schematische afmetingen (25x vergroot) van organisch stof in div. percentages. Tabel classificaties in % Organisch stof Organisch materiaal is een essentieel onderdeel van vrijwel elke bodemsoort, vaak geconcentreerd in de bovenste lagen. Dit materiaal heeft een significante invloed op de eigenschappen van alle bodemtypes en is noodzakelijk voor een gezonde bodemstructuur. De elementen 11 tot en met 16 in de afbeelding bevatten organische stof, elk met verschillende percentageverhoudingen. Tabel 3: Namen en classificaties van Organisch stof in %. Organische stof versus zandgrond Voor het bodemtype zandgrond, dat van nature weinig tot geen mineralen bevat en waar de grondwaterstand vaak onbereikbaar is voor boomwortels, is de hoeveelheid organische stof bijzonder bepalend. Deze factor heeft een sterke invloed op de waterhuishouding, met name op de waterbufferingscapaciteit van de bodem, wat weer van invloed is op de ontwikkeling van bomen. De aangegeven gebieden op diverse kaarten zijn slechts een globale indicatie; Verschillende bodemtypes, elk met een andere kwaliteitsclassificatie, kunnen zich binnen een relatief klein gebied bevinden (binnen een straal van enkele kilometers). Zandgrond kaart 2 Zandgrond kaart 3 Zandgrond kaart 4 Zandgrond kaart 5 Zandgrond kaart 1 Zandgrondkaart 1 biedt een overzicht van het bodemtype zand in heel Nederland. Zandgrondkaart 2 toont de gebieden waar voornamelijk humorloze en humusarme zandgronden voorkomen. Zandgrondkaart 3 visualiseert de gebieden met matig humeuze zandgronden. Zandgrondkaart 4 geeft inzicht in de gebieden in Nederland met humeuze zandgronden. Zandgrondkaart 5 presenteert de gebieden met humusrijke veenachtige zandgronden. Organische stof versus zwaardere bodemtypes Organische stof speelt ook een cruciale rol bij de zwaardere bodemtypes, zoals leem- en kleigronden. Hoewel het voor zandgronden voornamelijk belangrijk is om vocht vast te houden, draagt organische stof in zwaardere bodemtypes bij aan de verbetering van de bodemstructuur, de bewerkbaarheid en de wortelgroei voor bomen. Daarnaast heeft organische stof een aanzienlijke invloed op het bodemleven en is dus onmisbaar voor elk bodemtypen. Voor zandgronden wordt humusrijke samenstelling nagestreefd met een percentage van 9 tot 12% organische stof, terwijl het streefpercentage voor zwaardere bodemtypes ongeveer 3% is (tussen humus arm en matig humeus) en voor zwaardere bodemtypes circa 4%. Een nog hoger percentage kan leiden tot vocht en drainage problemen. Element: Löss (variant van silt) Een lössdeeltje is een typische windafzetting, voornamelijk bestaande uit kwartsgesteente afkomstig van de Noordzeebodem, die droog lag tijdens de laatste ijstijd. Wanneer er uitsluitend sprake is van een windafzetting, is de korrelgrootte doorgaans redelijk uniform. Lössgrond heeft daardoor een korrelgrootte van ongeveer 0,020 mm tot 0,040 mm. Met andere woorden, löss lijkt erg op silt, maar de samenstelling heeft veel ruimte tussen de korrels, vergelijkbaar met zand. Dit zorgt voor een goede waterdoorlatendheid, een eigenschap die de meeste bomen erg prettig vinden, een eigenschap die silt- en lutumdeeltjes niet hebben. Löss valt qua classificatie en afmeting onder dezelfde noemer als silt en moet daarom worden gezien als een variant, net zoals grof en fijn zand varianten zijn van het element zand Element nr. 17: Schematische afbeelding van het Bodemkundige element löss- (25x vergroot). Een Löss samenstelling Tijdens de door wind gevormde afzetting zijn er ook veel kleine plantenresten en mineralen afgezet. Hierdoor is lössgrond niet alleen goed doorlatend, maar bevat het ook een hoog mineraal- en humusgehalte (organische stof). Dit maakt het een zeer geschikte en vruchtbare bodem voor agrariërs. Let op; de hiernaast afgebeelde samenstelling is geen enkelvoudig element meer, maar een combinatie van het element löss en het element organische stof. Samenstelling nr.1: Schematische afmetingen van een lösss samenstelling (25x vergroot). Overige bodemelementen kunnen ook van invloed zijn Naast grondwater zijn er verschillende andere elementen zoals ijzer- en kalkmineralen die, samen met diverse chemische reacties, aanzienlijke verschillen kunnen veroorzaken tussen verschillende grondlagen. Deze variaties zijn technisch van aard, wat de huidige reden is om dit voorlopig te laten rusten. Houd er rekening mee dat dit soms veel invloed kan hebben op de groei en ontwikkeling van bomen. Voor meer informatie kunt u de website van Bodemdata raadplegen: https://bodemdata.nl . In hoofdlijnen is er in Nederland maar sprake van 4 bodemtypes volgens de grote plattegrond: zandgrond , kleigrond en leemgrond (lössgrond, wordt omdat het dezelfde fractiegrote heeft ingedeeld bij leemgrond). Daarnaast bezit Nederland een beperkt aantal veengronden, want in hoofdzaak is er meer sprake van veengebieden (zie kleine plattegrond). Deze veengebieden zijn dan gecombineerd met zand- of kleideeltjes of gecombineerd met zand- of kleilagen, op de kleine bodemkaart aangegeven als venige-klei of als venig-zand . Het is belangrijk om de juiste boom te kiezen en het soort boom af te stemmen op het bodemtype. Het aanpassen van het bodemtype aan de boom kan vaak duur zijn en levert niet altijd het gewenste boom resultaat op. Bodemkaart nr.4: De gebieden waar veengronden en veengebieden voorkomen. In Nederland zijn er feitelijk maar vier bodemtypes Bodemkaart nr.5: De 3 (4) belangrijkste bodemtypes in Nederland. Het vaststellen van een bodemtype Om een juiste bomen keuze te maken, is het dus van belang dat u weet wat voor type grond u heeft. Hieronder de bodemdriehoek waarmee u ook zelf kan bepalen in welke categorie uw eigen tuingrond zou vallen. Op Afbeelding 3 ziet u een bodemtest die u zelf prima zou kunnen uitvoeren. Neem een jampot en vul deze met 20 tot 25% grond. Vul vervolgens de pot tot 80% met kraanwater. Schud het geheel enkele minuten goed door elkaar en zet de jampot daarna 12 uur weg. De zwaardere deeltjes, zoals zand, zullen als eerste bezinken, gevolgd door de siltdeeltjes en als laatste zullen de kleideeltjes bezinken. Na 12 uur kunt u vrij nauwkeurig de samenstelling van uw eigen grond bepalen. Doorgaans blijven de organische delen in het water zweven. Met andere woorden bepaal eerst uw bodemtype en maak daarna een weloverwogen bomen keuze. Figuur 3: De Bodemdriehoek versus bomen. Afbeelding 2: Bodemtest versus bomen. Veel bomen groeien goed op zandgrond, waarbij verschillende factoren een rol kunnen spelen. Deze criteria beïnvloeden in grote maten de waterhuishouding en waterbufferingsmogelijkheden van een boom. Een bodem wordt als zandgrond geclassificeerd wanneer de bovenste 60 tot 80 cm voornamelijk uit zandlagen bestaat met een klei- of lutumgehalte lager dan 8%. (Volgens Samenstelling nr. 2) Daarnaast wordt zandgrond ook gedefinieerd wanneer het slib- of siltgehalte niet hoger is dan 50%. (Volgens Samenstelling nr. 3). Wanneer is er dan sprake van het bodemtype zandgrond? Samenstelling nr.3: Een bodem met minder dan 50% slib- of siltgehalte wordt als zandgrond beschouwd. Samenstelling nr.2: Een bodem met minder dan 8% klei of lutum wordt als zandgrond beschouwd. Bodemkaart nr. 6: De gebieden waar hoofdzakelijk het bodemtype zandgrond voorkomt. De kwaliteit van het bodemtype zandgrond Veel boomsoorten gedijen goed op zandgrond. In tegenstelling tot leem- en kleigrond is de kwaliteit van zandgrond, met betrekking tot de waterhuishouding die essentieel is voor bomen, echter veel afhankelijker van externe factoren. Zandgrond, waarin het element zand zeer dominant aanwezig is, bevat van nature weinig mineralen (is ook minder vruchtbaar), heeft doorgaans een goed drainerend vermogen, maar droogt veel sneller uit dan andere bodemtypes. De kwaliteit van zandgrond wordt dus voornamelijk bepaald door: Het soort zand. Ook hier geldt weer, wat overigens essentieel is voor alle bodemtypes. Wat zijn de afmetingen (de korrelgrootte), de vormen en wat is de uniformiteit van de aanwezige zandelementen. Daarnaast, kan er sprake van leemloze of leemarmer grond, of juist van een sterk leemhoudende zandgrond? Dit aspect zal later in meer detail worden toegelicht. Een derde factor betreft het humusgehalte, waarbij onderscheid wordt gemaakt tussen humusloze, humusarme en humusrijke zandgrond. Een ander belangrijk punt is de bereikbaarheid van het grondwater voor boomwortels. Kan het grondwater door de boomwortels bereikt worden, of niet? Zandgronden zijn weer op te delen in: Omschrijving Deze paragraaf is nog niet volledig afgerond; er ontbreekt aanvullende tekst. Leemlose zandgrond Duingebieden en zandverstuivingen (vaaggrond) Samenstelling nr. 4: Schematische afbeelding (25x vergroot) van leemarme zandgrond. Slitgehalte onder de 8%. Bodemkaart nr. 7: Gebieden met Leemlose zandgrond. Slitgehalte onder de 8%. Omschrijving Niet echt geschikt voor akkerbouw. Duingebieden zandverstuivingen, ook wel benoemd als vaaggronden. Er is een beperkte groep bomen die hier toch weet te overleven. Deze paragraaf is nog niet volledig afgerond; er ontbreekt aanvullende tekst. Leemarme zandgrond Samenstelling nr. 5: Schematische afbeelding (25x vergroot) van leemarme zandgrond. Slitgehalte tussen de 8-15%. Bodemkaart nr. 8: Gebieden met zwak lemige zandgrond. Slitgehalte tussen de 8-15%. Omschrijving Doorgaans minder groeizaam voor bomen, wel sterk afhankelijk van het organisch stofgehalte en een grondwaterstand. Deze paragraaf is nog niet volledig afgerond; er ontbreekt aanvullende tekst. Lemige zandgrond Samenstelling nr. 6: Schematische afbeelding (25x vergroot) van normaal leemhoudende zandgrond. Slitgehalte tussen de 15-30%. Bodemkaart nr. 9: Gebieden met lemige zandgrond. Slitgehalte tussen de 15-30%. Omschrijving In het algemeen is deze bodem geschikt voor diverse boomsoorten, hoewel dit mede afhangt van factoren zoals de kwaliteit van de aanwezige zandfractie, het organische stofgehalte en de grondwaterstand. Deze paragraaf is nog niet volledig afgerond; er ontbreekt aanvullende tekst. Sterk leemhoudende zandgrond Samenstelling nr. 7: Schematische afbeelding (25x vergroot ) van sterk lemige zandgrond. Slitgehalte tussen de 30-50%. Bodemkaart nr. 10: Gebieden Sterk lemige zandgrond. Slitgehalte tussen de 30-50%. Omschrijving De vruchtbaarheid van de bodem is doorgaans hoog voor bomen, afhankelijk van het gehalte aan organisch materiaal, de grondwaterstand en met name de grootte van de zandfractie. Bij een fijne zandfractie bestaat er echter een risico op bodemverdichting. Deze paragraaf is nog niet volledig afgerond; er ontbreekt aanvullende tekst. leemhoudende zandgronden voor, maar die worden nog steeds als zandgrond geclassificeerd. Leemgrond is gunstig voor de groei van bomen, maar de optimale omstandigheden variëren per boomsoort en de kwaliteit van de grond. Het houdt vocht vast en laat water goed door, maar een teveel kan wateroverlast veroorzaken, terwijl een tekort leidt tot een droge bodem. Leemgrond is geschikt voor de groei van sommige bomen, maar de optimale omstandigheden zijn afhankelijk van de specifieke boomsoort en de kwaliteit van de leemgrond. Leemgrond houdt vocht vast en laat water goed door, wat gunstig is voor veel bomen. Echter, een te hoog gehalte aan leem kan leiden tot wateroverlast, terwijl een tekort aan leem kan resulteren in een te droge bodem. Wanneer is er dan sprake van het bodemtype leemgrond? Bodemkaart nr. 11: De gebieden waar leemgrond voorkomt. (Volgens Samenstelling nr. 8) Samenstelling nr.8: Er is sprake van leemgrond wanneer het slib- of siltgehalte hoger is dan 50%. Bodemkaart 10: Nederland bezit veel sterk leemhoudende zandgronden, maar deze wordt er nog steeds gekwalificeerd als zandgrond. Bij leem en leemgrond is er nog meer verwarring dan bij zand en zandgrond; leem en leemgrond mogen zeker niet met elkaar worden vergeleken. Leem is een samengestelde grond of grondlaag met de volgende definitie: Leem is een mengsel van klei, slib en zand, met relatief veel slib- of siltdeeltjes. Het begrip "relatief veel" is ruim en wordt niet in percentages gekwalificeerd. Daarentegen is leemgrond een bodemtype dat wel duidelijk gedefinieerd is, waarbij het slib- of siltgehalte hoger moet zijn dan 50%.Om nog meer verwarring te voorkomen, is het belangrijk op te merken dat in sommige delen van ons land, maar vooral bij onze Belgische zuiderburen, silt ook wel als leem wordt aangeduid. Voor alle duidelijkheid zetten we alles nog eens op een rijtje: Slib of silt verwijst naar een afmeting, een fractiegrootte (bij zand wordt gesproken van korrelgrootte). Leem is een samenstelling die vaak een grondlaag vormt en bestaat uit klei, slib en zand, met een relatief hoog gehalte aan slib- of siltdeeltjes. Leemgrond is een bodemtype dat vaak uit diverse lagen bestaat, waarbij de bovenste 60 cm ten minste voor meer dan de helft bestaat uit slib- of siltdeeltjes. lössgrond is een variant van leemgrond Samenstelling nr.1: Schematische afmetingen van een lösss samenstelling (25x vergroot). Bodemkaart nr. 12: Lössgrond erg vruchtbaar voor veel bomen. Een variant van het bodemtype leemgrond is lössgrond. De slibdeeltjes van lössgrond zijn typische windafzettingen, voornamelijk bestaande uit kwartsgesteente afkomstig van de Noordzeebodem, die droog lag tijdens de laatste ijstijd. Wanneer er uitsluitend sprake is van windafzetting, is de korrelgrootte doorgaans redelijk uniform. Hierdoor is lössgrond niet alleen goed doorlatend, maar bevat het ook een hoog mineraal- en humusgehalte (organische stof). Dit maakt het een zeer geschikte en vruchtbare bodem. Löss lijkt sterk op silt, maar de samenstelling heeft veel ruimte tussen de korrels, vergelijkbaar met zand. Dit zorgt voor een goede waterdoorlatendheid, een eigenschap die gunstig is voor de meeste bomen, terwijl silt- en lutumdeeltjes deze eigenschap niet hebben. Löss valt qua classificatie en afmeting onder dezelfde categorie als silt en moet daarom worden gezien als een variant, net zoals grof en fijn zand varianten zijn van het element zand. Niet alle bomen zijn geschikt voor kleigronden. Een grond wordt als kleigrond geclassificeerd wanneer deze meer dan 8% lutum- of kleideeltjes bevat. Samenstelling nr. 9 wordt beschouwd als een zeer lichte klei, die bodemkundig gezien tot zavelgronden behoort, terwijl Samenstelling nr. 10 wordt gekwalificeerd als zware klei (met een lutum- of kleigehalte van meer dan 55%). Ook kleigronden worden verder ingedeeld in verschillende categorieën. Omdat silt voornamelijk door wind is afgezet, bevatten alle kleigronden in 70% van de gevallen een klein percentage siltdeeltjes. Soms kan er zelfs sprake zijn van siltige kleigronden. Wanneer is er dan sprake van het bodemtype Kleigrond? Samenstelling nr.9: In bodemkundige termen wordt lichte klei ingedeeld en benoemd als zavelgrond (8% -25%). Samenstelling nr.10: Een grond wordt als zware klei beschouwd als het lutum- of kleigehalte meer dan 55% bedraagt. Ned. Bodemkaart 13: De gebieden waar hoofdzakelijk kleigrond voorkomt. Om het eenvoudig te houden is het voldoende om te weten dat we spreken van kleigrond zodra het lutum- of kleigehalte hoger is dan 8%. Lang niet alle bomen houden van klein gronden. Klei- of lutumdeeltjes hebben een directe invloed op de groei van bomen. Ze beïnvloeden in grote mate de waterhuishouding, en dichtheid de structuur van de bodem, wat op zijn beurt de wortelgroei en algemene gezondheid van bomen bepaal. Zavelgrond, ook wel benoemd als lichtere kleigrond is daar vaak wel een uitzondering op. Bij het selecteren van bomen voor zwaardere kleigronden is het essentieel om ook rekening te houden met de vochtigheid en de grondwaterstanden. Rivier- Jonge- en oude- zeeklei Oude zeeklei en jonge zeeklei zijn termen die de kleilagen in Nederland beschrijven die door de zee zijn afgezet. Oude zeeklei, gevormd tussen 8000-4000 jaar geleden, ligt dieper en heeft een blauwgrijze kleur en een vettere structuur. Jonge zeeklei, ontstaan tussen 1000 v.Chr. en de Middeleeuwen, is grover en bevat meer schelpen. Oude zeeklei komt vooral voor in laaggelegen gebieden van West- en Noord-Nederland, terwijl jonge zeeklei voornamelijk te vinden is in Zeeland, Noord-Holland, Friesland en Groningen. Rivierklei ontstond ongeveer 1000 jaar na Christus in rivieromgevingen. Het heeft vaak een bruine of grijze kleur, maar kan ook een oranje tint aannemen bij aanwezigheid van ijzer. Rivierklei is doorgaans wat grover van structuur dan zeeklei. Alle kleibodemtypes zijn zeer vruchtbaar. De zwaardere kleigronden zijn echter minder makkelijk te bewerken en kunnen soms dusdanig zwaar zijn dat zij ongeschikt zijn voor akkerbouw. Deze gronden zijn voornamelijk geschikt voor grasland. Deze paragraaf is nog niet volledig afgerond; er ontbreekt aanvullende tekst. Bodemkaart nr. 14: Toont de locaties van rivierklei (indigo), jonge zeeklei (blauw) en oude zeeklei (donder). Lichtere (zavel) en zwaardere kleigronden Kleigronden worden ingedeeld in zware klei, matige klei, lichte klei en zavelgrond. Zavelgrond bevat 10-25% klei en is bijna ideaal voor boomgroei. Lichte kleigrond bevat 25-35% klei en is meestal ook geschikt voor bomen, afhankelijk van verschillende factoren. Matige kleigrond heeft 35-55% klei en kan vocht- en drainageproblemen hebben. Zware kleigrond, met meer dan 55% klei, is vruchtbaar maar lastig te bewerken en wordt vaak in lagere delen van Nederland gevonden. Deze paragraaf is nog niet volledig afgerond; er ontbreekt aanvullende tekst. Bodemkaart nr. 15: geeft de locaties weer met lichtere (zavel) en zwaardere kleigronden. Zavelgrond (zeer lichte kleigrond) Kleigronden worden ingedeeld in zware klei, matige klei, lichte klei en zavelgrond. Zavelgrond is een bodemtype dat ligt tussen lichte kleigrond en zandgrond. Er is sprake van zavelgrond wanneer het lutum- of kleigehalte tussen de 10% en 25% ligt. Deze bodems benaderen theoretisch ideale omstandigheden voor boomontwikkeling. Samenstelling nr. 11: Een schematische weergave (25 keer uitvergroot) van het bodemtype zavelgrond. Lichte kleigrond Er is sprake van lichte kleigrond wanneer het lutum- of kleigehalte tussen de 25% en 35% ligt. Deze bodems zijn doorgaans ook geschikt voor boomontwikkeling, wel afhankelijk van diverse factoren. Samenstelling nr. 12: Een schematische weergave (25 keer uitvergroot) van het bodemtype lichte kleigrond. Matige kleigrond Bij matige kleigrond varieert het kleigehalte tussen 35% en 55%. De geschiktheid voor landbouw en akkerbouw is sterk afhankelijk van de dikte van de kleilaag. Vocht- en drainageproblemen kunnen zich voordoen. Dit is een belangrijk gegeven om rekening mee te houden bij de keuze van bomen voor nieuwe aanplant. Samenstelling nr. 13: Een schematische weergave (25 keer uitvergroot) van het bodemtype matige kleigrond. Zware kleigrond. Zware kleigrond heeft een kleigehalte van meer dan 55%. Deze vruchtbare gronden, ook bekend als komgronden, zijn soms moeilijk te bewerken. Ze vormen zich door kleiafzettingen in lager gelegen delen van Nederland. Hoewel ze vooral geschikt zijn voor grasland, kunnen sommige bomen hier goed groeien. Samenstelling nr. 14: Een schematische weergave (25 keer uitvergroot) van het bodemtype zware kleigrond. Veen en veenachtige kleigronden Bodemkaart nr. 16: Veen en veenachtige kleigronden. Veenachtige kleigronden, ook wel klei-op-veen genoemd, bestaan hoofzakelijk uit een laag klei over een veenlaag, en zijn vaak te vinden in laaggelegen gebieden en de voormalige oudere rivier- en zeekleigebieden. Deze paragraaf is nog niet volledig afgerond; er ontbreekt aanvullende tekst. Wanneer is er dan sprake van het bodemtype Veengrond? De keuze aan bomen voor veengrond is relatief beperkt mede door de lage pH-waarde van de bodem, wat de selectie van geschikte boomsoorten beïnvloedt. Van veengrond is sprake wanneer meer dan de helft van de bovenste 80 cm uit veenachtig materiaal bestaat. Zoals weergegeven op bodemkaart nr. 17, heeft Nederland niet veel veengronden die aan deze criteria voldoen. Daarnaast wordt van veengrond gesproken als het organisch stofgehalte hoger dan 35% is, waarbij de plantenresten niet meer herkenbaar zijn. Bodemkaart nr. 17 Bodemkaart nr. 17 Bodemkaart nr. 18 Bodemkaart nr. 17: Geeft aan waar nog sprake is van hoogveen. Bodemkaart nr. 18: Geeft alle veengronden aan die voldoen aan de omschreven criteria. (> 35% org. stof) . Bodemkaart nr. 19: Geeft alle veengebieden gecombineerd met zand of klei. Nederland kent echter veel gebieden waarin veen gecombineerd is met zand- of kleideeltjes of met lagen van zand of klei, aangeduid als venige-klei of venig-zand. Bomen hebben doorgaans een hoge behoefte aan organische stof. Echter, wanneer het gehalte aan organische stof boven de 16% komt, kan dit leiden tot zuurstofonttrekking uit de bodem. Tijdens het verteringsproces van organische stof worden zuurstof (en stikstof) aan de bodem onttrokken, wat vaak nadelige gevolgen heeft voor bomen, evenals andere planten.
- De waterhuishouding van een boom | Bomen-online.info
De waterhuishouding. Een boom heeft twee wortelzones: een intensieve voor beworteling en een extensieve voor capillaire werking en waterbuffering, Bomen-Online.info Kennis & informatievoorziening voor: -- Boom en voor groene, grijze en blauwe buitenruimtes -- Boom Effect Analyses & Boom Effect Adviezen -- 2D en 3D Tuin- en landschapsoplossingen -- llustraties, visualisaties & kennisontwikkeling De waterhuishouding van een boom INHOUD: Boomgroeiplaats opgesplitst in 2 wortelzones De benodigde groeiruimte. Wat wordt verstaan onder het poriënvolume? Poriënvolume- Bodemkwaliteit- Element zand Diverse bodemzuurstofgehaltes versus Bomen Wat is dan Capillaire werking? Waterbufferingsmogelijkheden Bodemverdichting erg schadelijk 4 voorbeelden van div waterhuishoudens De waterhuishouding van een boom verwijst naar hoe de boom zelf het interne water regelt en circuleert. Deze totale waterhuishouding, die wordt beoordeeld aan de hand van verschillende bodemkundige criteria, vormt een onderdeel van de groeiplaats en heeft invloed op de toekomstige gezondheid van de boom. Er kan volgens vuistregel nr. 1.0 wel genoeg groeiruimte zijn, maar deze ruimte moet ook daadwerkelijk functioneel zijn. Deze pagina richt zich vooral op bodemkundige aspecten volgens wortelzone w.1 en w.2, en behandelt niet uitgebreid de specifieke bodemtypes ; die komen aan bod op een andere informatiepagina. W.1 in het overzicht. Er wordt onderscheid gemaakt tussen twee zones: de intensieve wortelzone (w.1), die primair is bedoeld voor wortelontwikkeling, bij voorkeur met een minimale diepte van 70 cm of meer. In deze zone dient het zuurstofgehalte minimaal 12% te bedragen, waarbij een gehalte van 16% of hoger als optimaal wordt beschouwd. W.2 in het overzicht. De extensieve wortelzone is met name gericht op beperkte wortelontwikkeling, drainagecapaciteit (waterafvoer), capillaire werking en, indien noodzakelijk, waterbuffering. In deze zone moet het poriënvolume – oftewel de luchtigheid van het bodemtype, welke nader toegelicht zal worden – minimaal 9% bedragen (met een optimum van 12% of meer). De vereiste diepte van deze zone varieert per situatie, maar dient zodanig te zijn dat aan de kwaliteitscriteria a tot en met d(e) wordt voldaan wat kan oplopen tot 60 a 80 cm met een minimum van circa 20 a 30 cm. Als de intensieve wortelzone minstens 100 cm diep is en aan het criterium van 12% zuurstof voldoet, dan is de extensieve wortelzone niet meer van toepassing. De intensieve wortelzone vervult dan automatisch ook de functie van de extensieve wortelzone. 2.0 Wat is een waterhuishouding? Boomgroeiplaats verdeeld in 2 wortelzones 3.0 w.1 Zuurstof > 12% 4.0 1.0 afm. groeiruimte e d c boomgroeiplaats f w.2 Poriënvolume > 9% Overzicht of Figuur 1 toont een gedetailleerd onderdeel van de boomgroeiplaats volgens de vier vuistregels. Alle genummerde items en bruine knoppen zijn aanklikbaar en verwijzen u naar de juiste alinea. Daarnaast is er een PDF met hogere leeskwaliteit, die automatisch op een andere pagina opent. g De benodigde groeiruimte of (groei)ruimte. afm. groeiplaats in het overzicht. Het onderscheid tussen de verschillende afmetingen kan verwarrend zijn. Er worden vier afmetingen onderscheiden: de intensieve wortelzone (w1), de extensieve wortelzone (w2), de groeiruimte, en de (groei)ruimte waarbij het woord groei tussen haakjes staat. De groeiruimte volgens vuistregel nr. 1.0, waarbij het woord ‘groei’ niet tussen haakjes staat bestaat uit de volledige intensieve wortelzone die voldoet aan het criterium van 12% zuurstof (w1), aangevuld met 20 tot 30 cm uit de extensieve wortelzone. een voorbeeld: als de intensieve wortelzone een diepte heeft van 70 cm en voldoet aan het zuurstofcriterium van 12%, en daarnaast is er een extensieve wortelzone van 80 cm vereist op basis van drainagecapaciteit of andere kwaliteitscriteria, dan bedraagt de benodigde groeiruimte nog steeds 70 cm (w1) plus 20 tot 30 cm uit de extensieve wortelzone. Nogmaals wanneer de intensieve wortelzone minimaal 100 cm diep is (lees de 2 soorten wortelzones w.1 en w.2) vervalt de gehele functie van de extensieve wortelzone en is de benoemde 100 cm de beschikbare gelijk aan de groeiruimte. Wanneer wordt gesproken over (groei)ruimte, waarbij het woord ‘groei’ tussen haakjes staat, wordt hiermee bedoeld de gehele intensieve wortelzone én de gehele extensieve wortelzone. In genoemd voorbeeld zou dit in totaal 150 cm zijn. Er is dus een verschil tussen groeiruimte zonder haakje en (groei)ruimte met haakjes. P oriënvolume > 9% in het overzicht. B omen groeien optimaal in bodems met een losse, open structuur die voldoet aan kwaliteitscriteria a tot en met d(e) zoals weergegeven in Figuur 1, wat wordt bepaald door het poriënvolume. Het beïnvloedt zowel het zuurstofgehalte als het drainerend vermogen van de bodem. In Figuur 2 zijn zandkorrels vergroot afgebeeld; de witruimtes ertussen worden aangeduid als poriën. Het poriënvolume omvat het geheel aan met lucht en of water gevulde ruimtes tussen gronddeeltjes. Hieronder volgen drie tabellen met aanwijzingen over poriënvolume, en zuurstofgehaltes. Wat wordt verstaan onder het poriënvolume? Figuur 2: Een aantal schematische zandkorrels (25 keer vergroot). Poriënvolume- Bodemkwaliteit- Element zand C - in het overzicht. Bodemkwaliteit is gelijk aan poriënvolume, maar ook gelijk aan de drainagecapaciteit. Op de informatiepagina 'Bodemkwaliteit in diverse bodemtypes' wordt dit onderwerp uitgebreid toegelicht. Hier geven we alvast een korte introductie. Het element zand, dat absoluut niet verward mag worden met het bodemtype zandgrond, is essentieel voor het poriënvolume van de bodem en komt veel voor in alle bodemtypes volgens onderstaande tabel. In Nederland bestaan bodems meestal uit zand, silt, lutum en organische stof, waarbij zand vaak het hoofdbestanddeel is—zelfs bij kleigrond kan het aandeel zand tot 90% oplopen. Het 1.)- percentage van het element zand, samen met 2.)- de korrelgrootte, 3.)- de vorm en 4.)- de uniformiteit van de aanwezige zandfracties zijn bepalend voor het poriënvolume en daarmee voor de ontwikkeling van bomen. Veel bodemtypen hebben doorgaans een poriënvolume van minimaal 9%, bij voorkeur 12% of meer. Deze waarden variëren echter afhankelijk van de omstandigheden, en het poriënvolume neemt af naarmate de diepte van de bodem toeneemt. Tabel 1: Het poriënvolume is het geheel aan met lucht en of water gevulde ruimten (poriën) tussen de vaste gronddeeltjes van de bodem. Diverse bodemzuurstofgehaltes versus Bomen Zuurstof > 12% in het overzicht. Boomwortels in de intensieve zone die minimaal 70 cm diep zou moeten zijn bij voorkeur meer zijn afhankelijk van voldoende zuurstof voor hun ademhaling en voor een optimale opname van voedingsstoffen en water. Het zuurstofgehalte in de bodem is tevens van groot belang voor het functioneren van het bodemleven, dat op zijn beurt essentieel is voor de vitaliteit van de boom. Zuurstof maakt deel uit van het poriënvolume in de bodem. In natte bodems kan een overschot aan (tijdelijk) water resulteren in zuurstoftekort bij de Boomwortels. Het ophogen van de grond rondom bomen kan het zuurstofgehalte verder reduceren. Bovendien onttrekken halfverteerde plantenresten of een (te) hoog gehalte aan organische stof (wat 2 vergelijkbare processen zijn) extra zuurstof aan de bodem. Tijdens het afbraakproces van het organisch materiaal worden zowel zuurstof als stikstof verbruikt, wat dan leid tot een zuurstof tekort wat weer te kosten gaat van de ontwikkeling van boomwortels. Tabel 2: Het poriënvolume bestaat uit water en lucht (zuurstofgehalte), Het zuurstofgehalte is dus een onderdeel van het poriënvolume. Onderstaande tabel geeft de bodemzuurstofwaarden weer voor bomen op een diepte van 30-50 cm. Een zuurstofgehalte van boven de 19% wordt als optimaal beschouwd, waarbij het maximum in de buitenlucht circa 22% bedraagt. Voldoende zuurstof—tussen 16 en 18%—is gewenst voor een gezonde wortelgroei, met name tijdens het groeiseizoen. Indien de kwalificatie ‘Onvoldoende’ geldt, is interventie noodzakelijk; waarden lager dan 12% vereisen directe actie. Zuurstofniveaus onder de –5% worden gekwalificeerd als ‘Zeer slecht’, hetgeen duidt op een verhoogd risico op acute wortelsterfte en blauwverkleuring. Bron: BOMEN-ONLINE.nl Tabel 3: Classificeringen zuurstofwaardes slechte (<11%), minimale (16%) en optimale zuurstofwaardes die gelden voor (boom)wortelontwikkeling. Wat is dan Capillaire werking? d - in het overzicht. Een alledaags voorbeeld van maximale capillaire werking kunt u zien door het volgende proefje uit te voeren: Laat uw suikerklontje voor slechts een beperkt deel (bijv. voor 35%) in uw kopje thee zakken. U zult zien dat het suikerklontje zich 100% vol zuigt met thee. Dit volzuigen noemen we capillaire werking. Grof zand, met een hoekige korrelstructuur met een groot poriënvolume, vertoont een optimale capillaire werking. Daarentegen zal een zelf gevormd balletje klei dat u voor een gedeelte in water laat zakken, zich niet volledig met water vullen, wat wijst op een beperkte capillaire werking. Afbeelding 1: Capillaire werking d.m.v. een suikerklontje. Een bodem die voldoet aan de vereisten voor optimale capillaire eigenschappen beschikt tevens over een natuurlijk drainerend vermogen tijdens natte perioden. Verstoring van deze capillaire werking, bijvoorbeeld door bodemverdichting, heeft een negatieve invloed op zowel de aan- als afvoer van water binnen het watersysteem en kan de groei en ontwikkeling van bomen nadelig beïnvloeden. Indien voldoende wateropslagcapaciteit aanwezig is (zie onderstaand de mogelijkheden voor waterbuffering), is een boom dankzij de capillaire werking in staat om zelfstandig en naar behoefte water op te nemen. Waterbufferingsmogelijkheden e - in het overzicht. Waterbuffering vormt een essentiële levensvoorwaarde voor bomen. Deze (tijdelijke) wateropslag zorgt ervoor dat de boom tijdens droge periodes toch over voldoende water kan beschikken. Er zijn twee typen waterbuffering mogelijk, of een combinatie van beide. De uitleg wordt aanvankelijk geïllustreerd aan de hand van een terrasplant. f - in het overzicht. Waterbuffering op basis van een hoog grondwaterpeil - In situatie 1 bevindt de terrasplant zich in een te kleine pot (er is te weinig groeiruimte volgens vuistregel nr. 1.0), waardoor de levensduur van de plant beperkt is. Het is mogelijk de levensduur enigszins te verlengen door gebruik te maken van een watergeefschotel, volgens situatie 2. Hierdoor kan de terrasplant water opnemen wanneer dat nodig is. De werking van een watergeefschotel is te vergelijken met een grondwaterstand die bereikbaar is voor boomwortels; een boom kan dan, mits er voldoende poriënvolume aanwezig is (nodig voor de capillaire werking), naar behoefte water opnemen. Afbeelding 2 t/m 5: Aan de hand van een terrrasplant worden er diverse situaties weergegeven die ook van toepassing zijn op een boom Situatie 1 Situatie 2 Situatie 3 Situatie 4 g - in het overzicht. Waterbuffering op basis van beschikbare (groei)ruimte - Een alternatieve oplossing is het verpotten van de terrasplant naar een grotere pot, conform situatie 3, waarbij een watergeefschotel overbodig zou zijn. De grotere pot biedt voldoende inhoud om tijdelijk water op te slaan (waterbuffering). Met andere woorden: wanneer een boom geen voordeel kan halen uit een hoge grondwaterstand, dient voldoende groeiruimte aanwezig te zijn voor tijdelijke wateropslag – doorgaans 50% meer dan bij buffering op basis van een hoog grondwaterpeil. Daarnaast speelt de kwaliteit van de bodem een veel belangrijkere rol. Een combinatie is ook mogelijk: wanneer deze plant, na het verpotten alsnog wordt voorzien van een watergeefschotel, dan wordt hij nog meer zelfvoorzienend. Figuur 3 toont een doorsnede van een bodemprofiel waarin een hoge grondwaterstand voor waterbuffering zorgt. Bij Figuur 4 is het grondwater onbereikbaar voor boomwortels, waardoor de boom meer ondergrondse ruimte nodig heeft om een adequate waterbuffer aan te leggen. Daarom speelt de bodemkwaliteit, die vaak sterk wordt beïnvloed door het organisch stofgehalte, een wezenlijk grotere rol. Figuur 3 en 4 c in het overzicht. Bodemverdichting is wel een veel groter en vaker voorkomend probleem dan de meeste mensen vermoeden. Als u het graswandelpad bekijkt in Afbeelding 6, dan heeft het beperkte lopen door het gras al een enorme impact op de grasontwikkeling. Een veel gemaakte denkfout of opmerking is dat het gras is kaal gelopen is, want dat is doorgaans niet het probleem. Er is gewoon al heel snel sprake van bodemverdichting, waardoor het waterhuishouden verstoord wordt. Zware bouwmachines, zoals op Afbeelding 8, zorgen praktisch altijd voor een harde laag in de grond. Afbeelding 6: Bodemverdichting: een veel voorkomend probleem Hierdoor ontstaat een schijnwaterprofiel, met alle problemen van dien. Vraag daarom altijd aan de desbetreffende machinist of hij voor vertrek de grond wil doorspitten. Hierdoor maak je de grond weer losser, waardoor er geen verstoring is van de waterhuishouding. Ook het verkeer rondom de boom (afhankelijk van de aanleg van de groeiplaats) kan heel veel invloed hebben op bodemverdichting (zie Afbeelding 7). Afbeelding 7: Afbeelding 8: c in het overzicht. Figuur 5 is een bodemdoorsnede met een grondwaterprofiel. Maar in dit profiel is er een ondiepe harde grondlaag die niet doordringbaar is voor regenwater. Zo'n harde grondlaag ontstaat vaak door bodemverdichting. Dit zorgt niet alleen voor beperkte wortelmogelijkheden, maar ook voor beperkte waterbufferingsmogelijkheden. Hoe minder (groei)ruimte, hoe minder wateropslagmogelijkheden. Daarbij is er in de winter vaak sprake van natte omstandigheden, wat weer ten koste gaat van het zuurstofgehalte en zodoende ook van het bodemleven. Daarnaast vergroot dit de kans op wortelrot. In de zomer is het vaak droger en voorkomt de harde grondlaag dat er een goede capillaire werking plaats kan vinden, terwijl het grondwater normaal gesproken binnen bereik is. Samenvattend: Bodemverdichting is om 6 redenen erg schadelijk voor de ontwikkeling van een boom. Bodemverdichting is vaak erg schadelijk (6 redenen) Figuur 5: Een bodemdoorsnede met een grondwaterprofiel in combinatie met een harde ondiepe grondlaag. Ligt de harde laag dieper dan 150 cm, dan is de situatie wel minder ernstig, voorop gesteld dat een harde grondlaag eigenlijk nooit wenselijk is. Maar bij een diepte van 150 cm, zijn er wel wortelmogelijkheden en waterbufferings-mogelijkheden. Natte omstandigheden wat weer ten kosten gaat van het zuurstofgehalte is bij een diepte van 150cm ook (veel) minder aan de orde. In de zomer kan de harde grondlaag zelf water vasthouden, wat een voordeel is als het grondwater sowieso al niet bereikbaar zou zijn voor de boomwortels. Er is dan sprake van een soort watergeefschotel zoals bij de terrasplant (afbeelding 2 t/m 5). Bodemdrainage zorgt voor zuurstof Buiten de zwaardere kleigronden, die beperkt voorkomen, zoals aangegeven is op kaart 1 (in het donkerblauw) en een aantal extremen om, voldoen veel bodemtypes aan de voorwaarde van een minimaal zuurstofgehalte van 12% (wenselijk is 16%) voor de intensieve wortelzone. Mocht er sprake zijn van een lager zuurstofgehalte, dan is actie noodzakelijk. Dit kan bijvoorbeeld door bodembewerking en/of verbetering. Bij veel zware bodemtypes kan er wel sprake zijn van een nat bodemtype, waardoor er een zuurstofgebrek ontstaat. De aanwezige ruimtes (het poriënvolume) die ook bedoeld zijn voor zuurstof, worden dan (langdurig) gevuld met regenwater. Een drainage aanleggen is dan vaak een oplossing. Kaart 1: Zwaardere kleigronden (in het donker aangegeven) met een laag zuurstofgehalte komen beperkt voor 4 div. waterhuishoudens en grondwaterstanden Onderstaand wordt weergegeven hoe een specifieke waterhuishouding samenhangt met een bepaald bodemprofiel en de ontwikkeling van een boom. In dit overzicht zijn verschillende grondwaterprofielen meegenomen. Verdere uitleg over de verschillende grondwaterprofielen is te vinden op een aparte informatiepagina. Het eerste bodemprofiel laat nogmaals een harde grondlaag zien die is ontstaan door bodemverdichting, zoals beschreven is in de paragraaf Bodemverdichting . Dit is vaak erg schadelijk (6 redenen). Het tweede bodemprofiel geeft de situatie weer bij een bodemtype dat van nature al weinig zuurstof heeft en ook nog eens gevoelig is voor verdichting. Voorbeelden hiervan zijn leem-, en kleigronden. Het derde bodemprofiel is het standaard grondwaterprofiel , zonder enige vorm van verdichting in de bodem. Er is voldoende water en zuurstof aanwezig voor de boom. Bij het vierde bodemprofiel is er sprake van een hangwaterprofiel , het grondwater is niet bereikbaar voor de boom. Dit is veel van toepassing bij het bodemtype zandgrond. Doorgaans is er dan wel veel groeiruimte. bodemprofiel 1 bodemprofiel 2 bodemprofiel 3 bodemprofiel 4 Figuur 6 t/m 9: Diverse bodemprofielen waarbij de waterhuishouding elke keer een ander effect heeft op een boom.
- Grondwaterprofielen en bomen | Bomen-online.info
Het type grondwaterprofiel speelt een cruciale rol bij de ontwikkeling en toekomstverwachting van een boom. Bomen-Online.info Kennis & informatievoorziening voor: -- Boom en voor groene, grijze en blauwe buitenruimtes -- Boom Effect Analyses & Boom Effect Adviezen -- 2D en 3D Tuin- en landschapsoplossingen -- llustraties, visualisaties & kennisontwikkeling Grondwaterpeil versus bomen Deze informatiepagina geeft een overzicht van alle grondwaterstanden die in Nederland voorkomen en vormt een aanvulling op het hoofdstuk over de waterhuishouding van een boom. Zoals weergegeven in figuur 1, heeft het type grondwaterpeil invloed op diverse kwaliteitscriteria die wenselijk zijn voor een boom. Eerst worden alle grijs gearceerd nummers 1.0, 1.1, 4.0, 3.1, 3.2, 3.3, 3.4, en 3.5 in het overzicht 3.0 nader toegelicht waarna alle voorkomende typen grondwaterstanden worden toegelicht. 3.0 De invloed van een grondwarerprofiel INHOUD De invloed van een grondwaterprofiel Afb. Overzicht Criteria diverse grondwaterstanden Groeiplaatsberekening – Grondwaterprofiel- Waterbuffering Hoge grondwaterstand: goed of slecht voor de boom? Verstoring van de waterhuishouding Lage grondwaterstand: goed of slecht voor de boom? Verschillende grondwaterprofielen versus bomen Grondwaterprofiel Hangwaterprofiel Contactwaterprofiel Schijnwaterprofiel Kaart van Nederland met div. (grond)waterprofielen 4.0 1.0 3.0 Overzicht of Figuur 1 toont een gedetailleerd onderdeel van de boomgroeiplaats volgens de vier vuistregels. Alle grijze knoppen in het overzicht zijn aanklikbaar en verwijzen u naar de juiste alinea. Daarnaast is er een PDF met hogere leeskwaliteit, die automatisch op een andere pagina opent. 3.1 3.2 3.3 3.4 3.5 1.1 boomgroeiplaats 3.3 Groeiplaatsberekening - Grondwaterprofiel - Waterbuffering 1.0 in het overzicht. Zoals eerder toegelicht bij de criteria voor boomgroeiplaatsen , zijn de ondergrondse groeimogelijkheden – los van enkele externe factoren – doorgaans bepalend voor de levensduur van een boom. De hoeveelheid groenmassa die een boom bovengronds nodig heeft (in m³), dient overeen te komen met de beschikbare ondergrondse groeiruimte (eveneens in m³). Dit principe wordt aangeduid als de 50:50-regel (vuistregel nr. 1.0). Een meer diepgaande toelichting is te vinden bij de 4 vuistregels met betrekking tot de ondergrondse groeiruimte. 3.1 in het overzicht. Deze groeiruimte is essentieel voor zowel wortelontwikkeling als waterbuffering. Indien een boom het grondwater kan bereiken of dit in de toekomst kan doen via capillaire werking , kan de benodigde ondergrondse ruimte worden gehalveerd; in dat geval vervult de grondwaterstand immers de functie van waterbuffer. Meer uitleg vind je op de informatiepagina ‘de waterhuishouding van een boom’ bij paragraaf de Waterbufferingsmogelijkheden. Samenvattend heeft het type waterprofiel een aanzienlijke invloed op de benodigde ondergrondse groeiruimte. Daarnaast is de onderstaande alinea eveneens relevant voor de groeiplaatsberekening. Hoge grondwaterstand: goed of slecht voor de boom? 1.1 - 3.2 in het overzicht. Over het algemeen is een hoge grondwaterstand dus gunstig voor bomen, maar bij een te hoge stand kan dit nadelige gevolgen hebben. Bomen wortelen niet dieper dan de hoogste grondwaterstand, (1 okt. laag versus 1 mrt hoog) waardoor een hoge stand ertoe leidt dat er minder beschikbare kubieke meters grond zijn. De diepte van de groeiruimte is vaak zeer bepalend hoeveel ruimte er in m3 beschikbaar is, wat de ontwikkelingsmogelijkheden van bomen kan beperken. Bij een grondwaterstand van 100 tot 80 cm of nog minder diep ondervinden bomen van de 1ste grootte met een leeftijd van 40 jaar meestal problemen. Figuur 2 toont daarom schematisch minder beschikbare grond in vergelijking met Figuur 3. Figuur 2 en 3: Een hoge en een redelijk standaard grondwaterprofiel Zodra u vanuit zuidelijke richting de provincie Drenthe inrijdt (bijv. via de N48), ziet u veelal korte gedrongen bomen. De bomen kunnen zich hier niet volledig ontwikkelen vanwege een te hoge grondwaterstand. Zoals je in Afbeelding 1 kunt zien, ligt de autoweg (de N48) ook ver boven het maaiveld. Afbeelding 1: Bomen langs de N48 (provincie Drenthe) Afbeelding 2: Bomen langs de N705 (Flevopolder) Afbeelding 3: Verhoogde plantenbak Hetzelfde geldt voor de Flevopolder (een gebied waar overigens ook veel wind staat, iets wat doorgaans bij de meeste bomen ook zorgt voor groeistagnatie). Figuur 4: Het maaiveld verhogen of een verhoogde plantenbak aanbrengen, kan zeker een oplossing zijn voor een hoge grondwaterstand. De ondergrondse groeiruimte wordt daarmee vergroot, waardoor de boom veel meer ontwikkelingsmogelijkheden heeft. Het verhogen van het maaiveld (volgens Figuur 4) of het aanbrengen van een verhoogde plantenbak, zoals te zien in Afbeelding 3, kan helpen bij problemen met een hoge grondwaterstand. Verstoring van de waterhuishouding 3.4 in het overzicht. Een (te) hoge grondwaterstand heeft in veel gevallen een negatief effect op de drainagecapaciteit van de bodem 3.3 in het overzicht. Met name bij zware bodemtypes kan een hoge grondwaterstand de waterhuishouding binnen zowel de intensieve als extensieve wortelzone aanzienlijk verstoren. Dit verstoort met name de wortelontwikkeling van bomen. Zo komen hogere grondwaterstanden vaak voor op kleigronden, die door hun beperkte poriënvolume hier extra gevoelig voor zijn. Tijdens natte perioden die langer dan 24 uur aanhouden, kan hierdoor een tekort aan bodemzuurstof ontstaan. Op de informatiepagina over de waterhuishouding van bomen wordt uitgebreid toegelicht wat het poriënvolume inhoudt, evenals de relevante kwaliteitscriteria. Deze criteria zijn direct gekoppeld aan de benodigde zuurstofwaarden die essentieel zijn voor een gezonde boomgroei. Figuur 5 4.0 in het overzicht. In figuur 7 zijn de infiltratiemogelijkheden rond de boon van extra belang, omdat dit daar de enige watertoevoer is. Meer informatie over de infiltratiemogelijkheden van bomen staat op een aparte pagina. Figuur 6 en 7 Lage grondwaterstand: goed of slecht voor de boom? 3.5 in het overzicht. Figuur 6 illustreert een dwarsdoorsnede van een bodemprofiel waarin een hoge grondwaterstand bijdraagt aan de waterbuffering (wateropslag). In figuur 7 is het grondwater echter niet toegankelijk voor boomwortels, waardoor bomen aanzienlijk meer ondergrondse ruimte nodig hebben om een voldoende waterbuffer te realiseren. Om die reden is de bodemkwaliteit, waarbij met name het zandgehalte en het organisch stofgehalte bepalend zijn, van veel groter belang. 3.0 in het overzicht. Er zijn verschillende soorten grondwaterprofielen (zie Figuur 8). Deze hebben allemaal een andere uitwerking op de ontwikkeling en dus op de toekomstverwachting van een boom. Welke grondwaterstand er bij u van toepassing is kan u zien op onderstaande kaart van Nederland. U kunt het vaak ook vrij eenvoudig vinden op internet. Houd er wel rekening mee dat het grondwater een wisselende stand kan hebben, afhankelijk van bijvoorbeeld het weer en de seizoenen (1 okt. laag versus 1 mrt hoog). Verschillende grondwaterprofielen In principe hebben bomen evenveel ondergrondse groeiruimte nodig als dat ze bovengrondse groenontwikkeling (nodig) hebben. Maar op het moment dat een boom het grondwater kan of gaat bereiken, dan mag u de hoeveelheid m³ aan ondergrondse (groei)ruimte halveren. Bomen van de 1ste grootte profiteren doorgaans van een grondwaterstand die niet dieper ligt dan 3 à 3,5 meter. Onder de voorwaarde dat de waterhuishouding naar behoren functioneert. Voor bomen van de 3de grootte geldt dat ze doorgaans profiteren van een grondwaterstand die niet dieper ligt dan 2 à 2,5 meter. Grondwaterprofiel Zodra een boom het grondwater niet kan bereiken, is er sprake van een hangwaterprofiel. De boom is dan compleet afhankelijk van de infiltratiemogelijkheden voor het natuurlijke regenwater. Ook de kwaliteit van het bodemtype weegt hierbij veel zwaarder dan bij de andere soorten waterprofielen. Door de steeds drogere zomers (vooral de lengte van de droogteperiode), worden bomen met een hangwaterprofiel steeds meer ingeschaald als bomen met een mindere toekomstverwachting. Hangwaterprofiel Figuur 8: Weergave van 5 soorten grondwaterprofielen, die allemaal een andere uitwerking hebben op de ontwikkeling van een boom. Een te hoge grondwaterstand Grondwaterprofiel Contactwaterprofiel Hangwaterprofiel Een diepliggend schijnwaterprofiel 1 Een hoogliggend schijnwaterprofiel 2 Zoals gezegd, kan het grondwater een wisselende stand hebben gedurende het jaar. Zo kan er in de zomer (en begin najaar) een diepe grondwaterstand gelden, terwijl de grondwaterstand in de winter (en in het vroege voorjaar) hoger ligt waarbij de boom d.m.v. capillaire werking gebruik kan maken van de waterstand. Bij dit zogeheten contactwaterprofiel kunt u 20 tot 30% aftrekken van de benodigde m³ aan ondergrondse groeiruimte. Contactwaterprofiel Er is sprake van een schijnwaterprofiel wanneer er een harde grondlaag aanwezig is die niet doordringbaar is voor boomwortels (zie rode stippellijn in Figuur 8). Dit profiel kan, als de harde laag dieper ligt dan 150 cm, in bepaalde omstandigheden voordelen bieden. Over het algemeen is een harde grondlaag echter om diverse redenen onwenselijk. In veel gevallen leidt een schijnwaterprofiel tot groeistagnatie bij bomen. Meer informatie hierover is te vinden op de infopagina “Waterhuishouding - onderdeel: harde grondlagen” . Schijnwaterprofiel Kaart van Nederland met diverse (grond)waterprofielen In deze gebieden is er praktisch altijd sprake van een grondwaterprofiel. In een aantal gevallen (zeer plaatselijk) is er sprake van een te hoge grondwaterstand (100cm of nog minder diep gemeten per 1-mrt.), waardoor bomen, zeker van de 1ste grootte, zich nooit helemaal goed kunnen ontwikkelen. In deze gebieden is er veelal sprake van een grondwaterprofiel en in beperkte mate is er sprake van een contactwaterprofiel. In deze gebieden is er veelal sprake van hangwaterprofiel en in beperkte mate is er sprake van een contactwaterprofiel. In deze twee gebieden is er altijd sprake van een hangwaterprofiel waarbij de rode gebieden aangeven dat het grondwater dieper ligt dan 40 meter. Een schijnwaterprofiel kan in geheel Nederland voorkomen.
- Poster: werken rond bomen | Bomen-Online.info
In deze poster worden diverse soorten boomschade bij werkzaamheden rond bomen weergegeven. Schade aan boomwortels is een belangrijke oorzaak van vroegtijdige boomsterfte. Poster: Richtlijnen werken rond bomen Afbeelding: De poster "Werken rond bomen" benoemt vijf soorten wortelschade. Bomen-Online.info Kennis & informatievoorziening voor: -- Boom en voor groene, grijze en blauwe buitenruimtes -- Boom Effect Analyses & Boom Effect Adviezen -- 2D en 3D Tuin- en landschapsoplossingen -- llustraties, visualisaties & kennisontwikkeling
- Toekomstverwachting van een boom | Bomen-online.info
De levensverwachting of toekomstverwachting van een boom wordt, met enkele uitzonderingen, bepaald door de beschikbare ondergrondse groeiruimte. Bomen-Online.info Kennis & informatievoorziening voor: -- Boom en voor groene, grijze en blauwe buitenruimtes -- Boom Effect Analyses & Boom Effect Adviezen -- 2D en 3D Tuin- en landschapsoplossingen -- llustraties, visualisaties & kennisontwikkeling Toekomstverwachting van een boom. INHOUD: Het "Soort" toekomstverwachting! Externe factoren t.a.v. de toekomstverwachting. De groeiruimte versus de toekomstverwachtingen. Gelukkig sterven de meeste mensen op oudere leeftijd, maar helaas zijn er uitzonderingen. Hierbij kun je opmerken dat hoe ouder je wordt, hoe vatbaarder je bent voor allerlei mankementen. Voor een boom geldt hetzelfde. Op deze pagina wordt herhaaldelijk verwezen naar "de criteria aanleg boomgroeiplaats". Bij de aanleg van een nieuwe boomgroeiplaats dient te worden vastgesteld of er in de toekomst voldoende (groei)ruimte beschikbaar is. De toekomstverwachting, oftewel de groeimogelijkheden van een boom, wordt door 3 factoren bepaald. De natuurlijke omloopcyclus. De (groei)ruimtes: opgedeeld in 2 onderdelen. Daarnaast zijn er nog externe factoren , waar een boom vroegtijdig aan kan bezwijken. Het "Soort" toekomstverwachting is ruim interpreteerbaar! De toekomstverwachting van een boom kan op verschillende manieren en vooral vanuit diverse perspectieven worden beoordeeld. De uitkomst varieert doorgaans aanzienlijk, zeer afhankelijk van de tijdshorizon die wordt gehanteerd. Hoe verder men in de toekomst kijkt, des te meer groeiruimte er nodig zal zijn. Een eerste stap in het proces is het beoordelen van de natuurlijke levensduur van het boomsoort. Het is niet nuttig om een analyse voor een periode van 80 jaar te gaan maken terwijl de natuurlijke levensduur van de boom slechts 60 jaar is. Omdat de natuurlijke levensduur in veel gevallen nog steeds breed kan worden geïnterpreteerd, wordt meestal een economische omlooptijd als criterium gebruikt. Dit gebeurt volgens de richtlijnen van het Handboek Bomen of op basis van een vooraf vastgestelde omlooptijd per functiegebied . Bij het opstellen van een bomen effect analyse wordt vaak als beoordelingscriterium opgenomen of de boom nog een toekomst heeft van langer dan 15 jaar. Externe negatieve factoren t.a.v. de toekomstverwachting Conditionele factoren waar een boom vroegtijdig aan kan bezwijken zijn: er is een verkeerde boomkeuze geweest, die totaal niet aansluit op de situatie ter plaatsen (denk aan: bodemtype, waterprofiel en bijvoorbeeld (zee)wind), en er kan sprake zijn van ernstige ziektes en/of (zwam)aantastingen. Mechanische factoren kunnen zijn: Onnatuurlijke scheefstand. Ernstige bast-, kroon- of stamschade. (Storm- wind- bliksem- en aanrijschade, maar ook een spechtengat.) Wortelbeschadiging. Dit heeft veelal betrekking op werkzaamheden die plaats gevonden hebben rond de bomen. Het beschadigen van (gestel)wortels is in het algemeen de hoofdoorzaak van het voortijdig uitvallen van bomen. De ondergrondse gevolgen van dergelijke wortelschade, bijvoorbeeld door graafwerkzaamheden, worden vaak jaren later pas zichtbaar (bij de inventarisatie van de boomconditie). Daarom is het van belang dat wortelschade wordt voorkomen. Op de poster "WERKEN ROND BOMEN" kan 5 soorten wortelschade terugvinden. Bijlage 1: Een PDF met een hoogwaardige afdrukkwaliteit van de poster "Werken Rond Bomen" Afbeelding 1: Op de poster “WERKEN ROND BOMEN” worden 5 soorten wortelschade benoemd. De ondergrondse ruimte voorspelt vaak de toekomstverwachting De toekomstverwachting van een boom wordt, afgezien van de externe factoren en zijn natuurlijke levensduur, altijd bepaald door de beschikbare (groei)ruimte. Deze ruimte kan formeel worden opgedeeld in twee onderdelen: de bovengrondse groeiruimte (de mogelijkheid van de boom om zich bovengronds voldoende te ontwikkelen) en de ondergrondse (groei)ruimte. In de praktijk komt dit neer op de volgende verklaring: de toekomstverwachting van een boom wordt in veel gevallen bepaald door de ondergrondse groeiruimte. Hierbij alvast een afbeelding die uitgebreid wordt toegelicht op de informatiepagina over de aanleg van een boomgroeiplaats. 1.0 2.0 3.0 4.0 2.Wh 2.Bkw. Samenvatting van een boomgroeiplaats volgens vier vuistregels. Klik op de nummers in de afbeelding voor meer informatie. Daarnaast is er een PDF met hogere leeskwaliteit, die automatisch op een andere pagina opent. 1.0 3.0 2.Wh 2.Bkw. boomgroeiplaats
- Gehanteerde documenten en richtlijnen | Bomen-Online.info
Overzicht van gehanteerde documenten, richtlijnen en informatiebronnen die als basis of achtergrond dienen voor onze boomtechnische rapportages en adviezen. Bomen-Online.info Kennis & informatievoorziening voor: -- Boom en voor groene, grijze en blauwe buitenruimtes -- Boom Effect Analyses & Boom Effect Adviezen -- 2D en 3D Tuin- en landschapsoplossingen -- llustraties, visualisaties & kennisontwikkeling Inhoud: Bomen Effect Analyse -Advies Handboek bomen, Kennisbank en Norminstituut bomen Toelichting: Beoordeling functie of waarde van de boom Beoordelingscriteria Functiewaarden 1: Waarde voor stadsschoon of landschap Beoordelingscriteria Functiewaarden 2: Natuur- en milieu waarde Beoordelingscriteria Functiewaarden 3 : Cultuurhistorische waarde Beoordelingscriteria Functiewaarden 4: Waarde voor de leefbaarheid Classificering Biodiversiteit Toelichting Classificering Biodiversiteit De groene lijst versus Biodiversiteit De zwarte lijst versus Biodiversiteit De gele lijst versus Biodiversiteit Gehanteerde en diverse documenten Een Boom Effect Analyse is een werkvolgorde die is opgesteld door de Bomenstichting in samenwerking met het Centrum Regelgeving en onderzoek in de Grond-, Water- en Wegenbouw en de Verkeerstechniek. Een min of meer landelijk erkende richtlijn waaraan alle overheidsinstellingen zich hebben verbonden, overigens wordt de richtlijn ook steeds meer gebruikt door derde, niet alleen omdat het consequent volgen van de werkvolgorde, die bestaat uit 12 standaardbouwstenen, verdeeld over 4 hoofdstukken, erg handig is, het is in hoofdzaak ook erg prettig dat alle partijen dezelfde criteria hanteren. De richtlijn van een Boom Effect Analyse is dus een sterk wapen tegen het (onbedoeld) verwijderen van waardevolle bomen door bouw- of aanlegactiviteiten. Deze werkvolgorde brengt in een vroegtijdig stadium de bouw- of aanlegeffecten in kaart die betrekking hebben op de kwaliteit van de boom, de betekenis en het mogelijk duurzaam behoud. Daarnaast worden eventuele kansen en knelpunten voor de bomen in kaart gebracht. De verdere uitwerking van mogelijke kwaliteitsverbeteringen behoort toe aan een Boom Effect Advies. Boom Effect Analyse - Advies Afbeelding 1: Richtlijn bomen effect analyse, deze werkvolgorde bestaat uit 4 onderdelen en 12 bouwstenen. Een Boom Effect Analyse is een gestructureerde werkvolgorde. Echter, tenzij anders vermeld in het rapport, wordt bij de boomtechnische inhoud van onze rapportages waar van toepassing gebruikgemaakt van het Handboek Bomen. Het Handboek Bomen omvat gestandaardiseerde kwaliteitseisen, richtlijnen en normen die van toepassing kunnen zijn bij uitvoerende werkzaamheden aan of rondom een boom. De toepassing van het Handboek Bomen binnen een organisatie draagt bij aan professionele kwaliteitszorg rond bomen. Het Handboek Bomen is ook geschikt als naslagwerk en dient als onafhankelijke kennisbron. Via de Kennisbank kunnen gebruikers online een breed scala aan onderwerpen raadplegen. De kwaliteitseisen, richtlijnen en normen in het Handboek Bomen kunnen dienen als onderbouwing van een advies aan collega’s, het college van burgemeester en wethouders en overige belanghebbenden, zoals bewoners. Elke vier jaar verschijnt er een update van het Handboek Bomen. Het Handboek Bomen is inhoudelijk gevalideerd door vakspecialisten uit de branche. Naast deelname van opdrachtgevers, opdrachtnemers en opleiders zijn externe specialisten intensief betrokken bij de validatie. Denk hierbij aan boomkwekers, bodemkundigen en civiele deskundigen. Handboek bomen, Kennisbank en Norminstituut bomen Afbeelding 2: Het Handboek Bomen is een erkende bron die gestandaardiseerde kwaliteitseisen bevat en tevens dient als naslagwerk. Toelichting: Beoordeling functie of waarde van de boom Naast de algemene functiewaarden die voor elke boom van toepassing zijn, is de omgeving waarbinnen een boom zich bevindt ook van belang. Een boom binnen het stedelijk gebied heeft doorgaans een andere waarde dan een boom in het buitengebied. Gemeenten kunnen in een bomenverordening of andere lokale regelgeving regels opnemen om bepaalde bomen en houtopstanden (extra) te beschermen. Binnen onze beoordeling onderscheiden wij vier beoordelingscriteria: Beoordelingscriteria 1: Waarde voor stadsschoon of landschap Beoordelingscriteria 2: Natuur- en milieuwaarde Beoordelingscriteria 3: Cultuurhistorische waarde Beoordelingscriteria 4: Waarde voor de leefbaarheid Op elk van de bovengenoemde criteria kan een boom 3 mogelijke classificeringen krijgen : Topwaarde Hoge waarde Normale waarde Afbeelding 1:In de bomenverordening zijn regels opgenomen om bepaalde bomen en houtopstanden (extra) te beschermen Beoordelingscriteria 1: Waarde voor stadsschoon of landschap Bomen die geen of nauwelijks toegevoegde waarde hebben voor het stadsschoon of het landschap vallen in categorie B3. Een boom van een beperkte grootte zal zelden beeldbepalend zijn voor de gemeente. Hij kan echter wel in een verder boomloze straat beeldbepalende waarde hebben voor de directe omgeving. Zo’n boom kan dus in categorie B2 vallen. Categorie B1 - Topwaarde: Beeldbepalend voor de gemeente; Categorie B2 - Hoge waarde: Beeldbepalend voor de wijk of buurt; Categorie B3 - Normale waarde: Zichtbaar of beeldbepalend voor de plek of de directe omgeving Beoordelingscriteria 2: Natuur- en milieuwaarde Inheemse boomsoorten kunnen ecologisch gezien een hoge waarde hebben, omdat er ‘van nature’ meer planten, dieren en insecten gebruikmaken van deze boomsoorten. Bekijk en lees ook de Biodiversiteitsclassificaties. Daarentegen kan een grote uitheemse boom meer schuilplaats en andere ecosysteemdiensten bieden dan een kleine inheemse boom. Categorie N1 - Topwaarde: Ecologisch of milieutechnisch waardevol voor de gemeente; Categorie N2 - Hoge waarde: Ecologisch of milieutechnisch waardevol voor buurt of wijk; Categorie N3 - Normale waarde: (beperkte) toegevoegde ecologische of milieutechnische waarde voor de plek of de directe omgeving. Beoordelingscriteria 3: Cultuurhistorische waarde Het gaat hier om bomen verweven met de geschiedenis van de omgeving. Het kunnen tevens bomen zijn die als gedenkboom zijn aangeplant of onderdeel uitmaken van een gemeentelijk monument of rijksmonument. Categorie C1 - Topwaarde: Cultuurhistorisch waardevol voor de gemeente; Categorie C2 - Hoge waarde: Cultuurhistorisch waardevol voor buurt of wijk; Categorie C3 - Normale waarde: Cultuurhistorisch waardevol voor de plek of de directe omgeving. Beoordelingscriteria 4: Waarde voor de leefbaarheid Het gaat hier om de mate waarin dat de boom een bijdrage levert aan een aangename woonomgeving. Bijvoorbeeld door te zorgen voor gewenste beschaduwing of een plek om te spelen, zoals een klimboom. Categorie L1 - Topwaarde: Waardevol voor de leefbaarheid van de gemeente; Categorie L2 - Hoge waarde: Waardevol voor de leefbaarheid van buurt of wijk; Categorie L3 - Normale waarde: Waardevol voor de leefbaarheid van de plek of de directe omgeving. Classificering Biodiversiteit In 2010 was er nog ongeveer een derde over van onze biodiversiteit vergeleken met 1900. Dit verlies is onder andere te wijten aan intensieve landbouw, de aanleg van wegen en vooral verstedelijking en verstening. Het aanplanten van bijvoorbeeld extra bomen lijkt een voor de hand liggende oplossing. Echter, niet elke boom ondersteunt hetzelfde aantal dieren- en plantensoorten. Een Zomereik en een Schietwilg, (die beide op de groene lijst staan) ondersteunen direct en indirect ongeveer 450 verschillende dieren- en insectensoorten, terwijl een Amerikaanse eik (die op de zwarte lijst staat) slechts ongeveer 13 dieren- en insectensoorten ondersteunt. Nog een voorbeeld, een plataan (die vermeld staat op de gele lijst) is uitstekend geschikt als stadsboom dankzij zijn weerstand tegen voedselarme bodems, droogteperioden, gesloten verharding en strooizout. Bovendien kan deze boom snel een dichte groene massa vormen, wat gunstig is voor schaduwvorming. Echter, in termen van biodiversiteit levert de plataan slechts een matige bijdrage. En daarom staat hij op de gele lijst. Tabel 1: De Groene lijst met boomsoorten die veel bijdragen aan de Biodiversiteit De groene, gele en zwarte lijst versus Biodiversiteit Sinds enkele jaren wordt er een groene, gele en zwarte lijst gehanteerd. Praktisch alle inheemse boomsoorten (boomsoorten die van oorsprong in Nederland voorkomen) leveren doorgaans een hogere bijdrage aan de biodiversiteit. Veel van deze soorten staan op de groene lijst. Daarnaast is er sprake van uitheemse boomsoorten, (boomsoorten die van oorsprong niet in Nederland voorkwamen) ook wel exoten genoemd. Tabel 2: De zwarte en de gele lijst met boomsoorten die beperkt bijdragen of zelf schadelijk zijn voor de biodiversiteitt Niet alle exoten die zich vestigen vormen een risico voor de natuur, deze boomsoorten staan op de gele lijst. Sommige soorten, die aangeduid worden als invasieve exoten, gedijen echter zo goed dat ze inheemse soorten verdringen, schade aan de natuur veroorzaken en verlies van biodiversiteit met zich meebrengen. Deze soorten staan daarom op de zwarte lijst. Bronnen: Centraal Bureau voor de Statistiek, Wageningen University & Research en Natuur & Milieu De groene lijst versus Biodiversiteit Latijnse Naam Nederlandse Naam Drietandesdoorn Veldesdoorn/Spaanse aak Kolchise esdoorn Noorse esdoorn Gewone esdoorn Rode esdoorn Zilver esdoorn Rode paardenkastanje Witte paardenkastanje Japanse Kaukasische els Hartbladige els Zwarte els Witte els Krentenboompje Zwarte berk Papierberk Ruwe berk Zachte berk Witte Himalayaberk Haagbeuk Tamme kastanje Trompetboom Zwepenboom Judasboom Gele kornoelje Rode kornoelje Zweedse kornoelje Hazelaar Bastaard hanespoordoorn Tweestijlige meidoorn Eenstijlige meidoorn Beuk frangula Vuilboom/sporkehout Smalbladige es Gewone es Pluim-es Valse Christusdoorn Hulst Jeneverbes Chinese vernisboom Wilde liguster Tulpenboom Appel (alle soorten) Mispel Witte moerbei Zwarte moerbei Fijnspar Blauwe spar Zwarte den Grove den Acer buergerianum Acer campestre Acer cappadocicum Acer platanoides Acer pseudoplatanus Acer rubrum Acer saccharinum Aesculus ×carnea Aesculus hippocastanum Alnus ×spaethii Alnus cordata Alnus glutinosa Alnus incana Amelanchier arborea Betula nigra Betula papyrifera Betula pendula Betula pubescens Betula utilis Carpinus betulus Castanea sativa Catalpa bignonioides Celtis occidentalis Cercis siliquastrum Cornus mas Cornus sanguinea Cornus suecica Corylus avellana Crataegus ×lavallei Crataegus laevigata Crataegus monogyna Fagus sylvatica Frangula alnus/Rhamnus Fraxinus angustifolia Fraxinus excelsior Fraxinus ornus Gleditsia triacanthos Ilex aquifolium Juniperus communis Koelreuteria paniculata Ligustrum vulgare Liriodendron tulipifera Malus (alle soorten) Mespilus germanica Morus alba Morus nigra Picea abies Picea pungens Pinus nigra Pinus sylvestris Latijnse Naam Nederlandse Naam Grauwe abeel Zwarte populier Ratelpopulier Balsempopulier Zoete kers Kerspruim Zure kers Mantsjoerijse kers Gewone vogelkers Japanse sierkers Japanse sierkers Sleedoorn Sierpeer Wilde peer Moseik Scharlaken eik Hongaarse eik Steeneik Moeraseik Wintereik Zomereik Wegedoorn Bindwilg Schietwilg Geoorde wilg Chinese treurwilg Boswilg Grauwe wilg Kraakwilg Laurierwilg Bittere wilg Kruipwilg Amandelwilg Katwilg Gewone vlier Bergvlier Lijsterbes Zweedse meelbes Breedbladige meelbes Honingboom Honingboom Franse tamarisk Venijnboom Gewone linde Gewone linde Amerikaanse linde Winterlinde Zomerlinde Zilverlinde Iep (alle soorten) Populus ×canescens Populus nigra Populus tremula Populus trichocarpa Prunus avium Prunus cerasifera Prunus cerasus Prunus maackii Prunus padus Prunus sargentii Prunus serrulata Prunus spinosa Pyrus calleryana Pyrus pyraster Quercus cerris Quercus coccinea Quercus frainetto Quercus ilex Quercus palustris Quercus petraea Quercus robur Rhamnus cathartica Salix ×rubens Salix alba Salix aurita Salix babylonica Salix caprea Salix cinerea Salix fragilis Salix pentandra Salix purpurea Salix repens Salix triandra Salix viminalis Sambucus nigra Sambucus racemosa Sorbus aucuparia Sorbus intermedia Sorbus latifolia Styphnolobium japonicum Sophora japonica Tamarix gallica Taxus baccata Tilia ×europaea Tilia vulgaris Tilia americana Tilia cordata Tilia platyphyllos Tilia tomentosa Ulmus (alle soorten) Tabel 3: De Groene lijst met boomsoorten die veel bijdragen aan de Biodiversiteit De Zwarte lijst versus Biodiversiteit Latijnse Naam Nederlandse Naam Wilgacacia Vederesdoorn Grijze streepjesbastesdoorn Hemelboom Amerikaans krentenboompje Krentenboompje Erwtenboompje Canadese kornoelje Dwergmispel Dwergmispel Dwergmispel Grote boogcotoneaster Rimpelige cotoneaster Wilgbladige cotoneaster Smalle olijfwilg Zilverwilg Langstelige olijfwilg Acacia saligna Acer negundo Acer rufinerve Ailanthus altissima Amelanchier lamarckii Amelanchier spicata Caragana arborescens Cornus sericea Cotoneaster ×watereri Cotoneaster ambiguus Cotoneaster boisianus Cotoneaster bullatus Cotoneaster rehderi Cotoneaster salicofolius Elaeagnus angustifolia Elaeagnus commutata Elaeagnus multiflora Latijnse Naam Nederlandse Naam Schermolijfwilg Pennsylvaanse es Anna Paulownaboom Weymouthden Canadapopulier Witte abeel Mesquite Amerikaanse vogelkers Kleine vogelkers Amerikaanse eik Azijnboom Valse acacia Sering Bijenboom Talgboom Westelijke hemlockspar Elaeagnus umbellata Fraxinus pennsylvanica Paulownia tomentosa Pinus strobus Populus ×canadensis Populus alba Prosopis juliflora Prunus serotina Prunus virginiana Quercus rubra Rhus typhina Robinia pseudoacacia Syringa vulgaris Tetradium daniellii Triadica sebifera Tsuga heterophylla Tabel 4: De Zwarte lijst met boomsoorten die schadelijk zijn voor de Biodiversiteit De gele lijst versus Biodiversiteit Boomsoorten die niet op de groene of zwarte lijst voorkomen, worden door ons automatisch op de gele lijst geplaatst. De term "de gele lijst" is door ons zelf in het leven geroepen wegens gebrek aan een betere benaming, Het is dus geen erkende of veel voorkomende term.
- Hoe belangrijk zijn (oudere ) bomen nu eigenlijk? | Bomen-online.info
Een oude boom van 100–120 cm stamdiameter vertegenwoordigt dezelfde waarde als 100 tot 400 jonge bomen en vervult belangrijke functie Bomen-Online.info Kennis & informatievoorziening voor: -- Boom en voor groene, grijze en blauwe buitenruimtes -- Boom Effect Analyses & Boom Effect Adviezen -- 2D en 3D Tuin- en landschapsoplossingen -- llustraties, visualisaties & kennisontwikkeling Inhoud: De functiewaarden van een boom Functiewaarden per locatie volgens de bomenverordening Duurzaam boombehoud is vaak in veel opzichten veel efficiënter Hoe groter en ouder de boom, hoe groter de bijdrage Stadbomen hebben maar een gem. levensduur van 37 jaar Wat zijn duurzame bomen? Het boomsoort en de conditiewaarden bepalen het functiewaarden getal De Conditiecriteria zijn exact gelijk aan de Duurzaamheidscriteria Hoe belangrijk zijn oudere bomen nu eigenlijk? Deze gehele pagina beantwoord de vraag: "Maakt 1 boom nu het verschil?" Het antwoord is vaak: ja, iets wat we op een eenvoudige manier voor u in kaart gaan brengen. De meeste mensen die deze pagina hebben gelezen, waren aangenaam verrast. De PDF bevat een korte samenvatting. Duurzaam boom behoud is heel efficiënt. De functiewaarden van een boom Bomen, met name oudere bomen, vervullen talrijke maatschappelijke functies en zijn daarom van groot belang voor onze samenleving. In Afbeelding 1 worden de meest voorkomende functies weergegeven. Hoewel het misschien overbodig klinkt om te vermelden, is het geen nieuws dat de ene boom meer schaduw biedt dan de andere. Maar dit is eigenlijk van toepassing bij elke functiewaarde, wanneer we bijvoorbeeld kijken naar de functie van de biodiversiteit, zijn de verschillen bijzonder groot. Sommige bomen kunnen zelfs schadelijk zijn voor de biodiversiteit. Sinds enkele jaren wordt een classificatiesysteem gehanteerd met een groene lijst voor bomen die veel bijdragen aan de biodiversiteit, een gele lijst voor bomen met beperkte bijdrage, en een zwarte lijst voor bomen die schadelijk zijn voor de biodiversiteit. Voor meer informatie en een uitgebreidere toelichting, raadpleeg “Classificering Biodiversiteit” . Lijst 1 t/m 3: Biodiversiteitsclassificaties verdeeld in een groene, een gele en een zwarte lijst. Afbeelding 1: De vele en de diverse functiewaarden van een boom Functiewaarden van een boom Functiewaarden per locatie - bomenverordening Naast de algemene functiewaarden die praktisch voor elke boom van toepassing zijn, is de omgeving waarbinnen een boom zich bevindt ook van belang. Een boom binnen het stedelijk gebied heeft doorgaans een hogere en zeker een andere waarde dan een boom in het buitengebied. Om deze reden is er een bomenverordening opgesteld, waarin (lokale)regels zijn opgenomen om bepaalde bomen en houtopstanden (soms extra) te beschermen. Op basis van de bomenverordening zijn vier beoordelingscriteria vastgesteld. Voor meer informatie en een uitgebreidere toelichting, raadpleeg “Toelichting: Beoordeling functie of waarden van de boom” . Beoordelingscriteria 1: Waarde voor stadsschoon of landschap Beoordelingscriteria 2: Natuur- en milieuwaarde Beoordelingscriteria 3: Cultuurhistorische waarde Beoordelingscriteria 4: Waarde voor de leefbaarheid Elk beoordelingscriterium wordt nader geclassificeerd, waarbij er 3 classificaties worden gehanteerd. Top waarde Hoge waarde Normale waarde Afbeelding 1:In de bomenverordening zijn regels opgenomen om bepaalde bomen en houtopstanden (extra) te beschermen Een oude boom met een stamdiameter van 100-120 cm vertegenwoordigt dezelfde waarde als 100 tot 400 jonge bomen. Als u op korte termijn de kap van een oudere boom wilt compenseren, brengt dit aanzienlijke kosten met zich mee. Daarnaast heeft een nieuw geplante boom 1 of 2 jaar nodig om aan te slaan (voordat hij begint te groeien). Vervolgens duurt het minimaal 5 tot 10 jaar voordat de boom enigszins begint met het vervullen van de genoemde functionele waarden. Bekijk ook de bijgevoegde grafiek. Duurzaam boombehoud is vaak in veel opzichten veel efficiënter Afbeelding 2: Een oude boom met een stamdiameter van 100-120 cm is even waardevol als 400 tot 100 jonge bomen Hoe groter en ouder de boom, hoe groter de bijdrage De gewenste functiewaarden nemen exponentieel toe zodra bomen groter en ouder worden, met een toename in kroonomvang en hoogte, zoals weergegeven is in de afbeeldingen. Ook de levensduur van een boom, verdeeld in een economische en een natuurlijke levensduur , beïnvloedt de mate waarin de boom zijn functies kan vervullen. Bekijk ook de verschillende grafieken met toelichting bij Afbeelding 4 . Stadbomen hebben maar een gem. levensduur van 37 jaar Ondanks de grote behoefte aan groen binnen het stedelijk gebied, blijkt uit onderzoek dat een gemiddelde stadsboom niet ouder wordt dan 37 jaar. De belangrijkste oorzaken zijn: er is te weinig ondergrondse groeiruimte. Daarnaast is wijkrenovatie, vaak in combinatie met het vervangen van kabels en leidingen ook een belangrijke oorzaak. Hoe dan ook, deze leeftijd stemt niet overeen met de verwachte economische levensduur en al helemaal niet met de natuurlijke levensduur die van toepassing is op een boom van bijvoorbeeld de 1ste grootte (zie Afbeelding 3). Het vroegtijdig verwijderen van een boom, bijvoorbeeld na 37 jaar in plaats van bijvoorbeeld 80 jaar, betekent dat de boom slechts 25% van de beoogde functiewaarden levert ten opzichten van de functiewaarde die van toepassing zouden zijn bij 80 jaar. (Functiewaarde getal 20 versus 80 = 25%.) Naast de waarde van het groen, is er hier cijfermatig (financieel gezien) echt sprake van een aanzienlijke kapitaalverspilling. Afbeelding 3: De functiewaarden nemen exponentieel toe naarmate bomen groter en ouder worden. Wat zijn duurzame bomen? Is eigenlijk geen relevante vraag Een veelgestelde, begrijpelijke vraag, maar het is veel relevanter om te vragen wanneer er sprake is van een duurzame boomsituatie. Waarbij het boomsoort wel het vertrek- of uitgangspunt is, maar voor een optimale duurzame situatie zijn er echt meerdere kwaliteitscriteria vereist. Daarnaast bepaalt niet het boomsoort, maar juist de omgeving welke functiebehoeftes er noodzakelijk zijn voor die specifieke locatie (de boomlocatie). Een voorbeeld hiervan is de Plataan, die zeer geschikt is als stadsboom vanwege zijn weerstand tegen arme bodems, droogteperiodes, verharding en strooizout. Daarnaast kan deze boom snel een dichte groene massa vormen, wat gunstig is voor het creëren van schaduw. Echter, wat betreft biodiversiteit levert de plataan slechts een beperkte bijdrage. Daarentegen ondersteunt een Schietwilg direct en indirect ongeveer 450 verschillende dieren- en insectensoorten. (Bekijk ook "De groene, gele en zwarte lijst versus Biodiversiteit" .) Echter, de omvang is bijna de helft kleiner dan die van de plataan. De juist functiebehoeftes invullen voor de beoogde locatie is de meest duurzame boomsituatie. Het boomsoort en de conditiewaarden bepalen het functiewaarden getal Zoals u wellicht gelezen heeft, promoten wij een Bomen Effect-Advies in plaats van een B.E.-Analyse. Het grootste verschil tussen beide is als volgt: Bij een B.E.-Analyse wordt achteraf bepaald welke invloed de geplande werkzaamheden hebben op de bomen binnen het beoogde plangebied. Bij een B.E.-Advies wordt er echter vooraf gekeken naar de potentiële mogelijkheden waarbij een functiewaarden getal bepalend is. Na een veldinventarisatie wordt aan alle bomen een functiewaarden getal toegekend. Op deze manier wordt een helder en duidelijk overzicht gecreëerd. Dit geeft inzicht in welke bomen binnen een bepaald plangebied nu en in de toekomst het meest waardevol (kunnen) zijn. Soms komen hier echt verrassende conclusies uit voort. Afbeelding 4: Diverse boomgroepen met de bijbehorende functiewaarde getallen. De bomenwereld is ingedeeld in 3 (4) categorieën volgens Afbeelding 4. Nader te benomen als Bomen van de 1ste, 2de, en 3de grootte. Hoe groter de omvang van de boom (groene massa), hoe hoger het functiewaarden getal. Elke bomengroep heeft zowel een economische levensduur als een natuurlijke levensduur , welke gekoppeld is aan het functiewaarden getal. Dit getal dient als uitgangspunt. Op basis van de conditiewaarden zal er eventueel een af- of opwaardering plaatsvinden. Door het verbeteren van de groeiplaats kan zowel de conditie als de omloop naar een hoger niveau worden gebracht, wat resulteert in een aanzienlijke verhoging van de functiewaarden. De Conditiecriteria zijn exact gelijk aan de Duurzaamheidcriteria Wanneer een boom tekenen vertoont van verminderde conditie, zoals weergegeven in de vijf onderstaande afbeeldingen, zijn er doorgaans vier factoren die hierbij een rol spelen. De criteria die gelden voor conditiewaarden zijn exact vergelijkbaar met de criteria die gelden voor de een duurzame boomsituatie. De meest voorkomende oorzaak is een gebrek aan ondergrondse (groei)ruimte. Niet altijd maar dit probleem kan vaak worden opgelost door de huidige groeiplaats te vergroten en/of te verbeteren. Hoe ouder een boom wordt hoe meer groeiruimte hij nodig heeft. Voor een duurzame boomsituatie moet er dus voldoende ondergrondse groeiruimte zijn of gecreëerd worden. Een langere omloop of levensduur leidt tot een veel hoger functie waarden getal (leid tot een veel duurzamere situatie). Een andere oorzaak is. Er is een verkeerde boomkeuze geweest die (totaal) niet aansluit op de plaatselijke omstandigheden (zoals bodemtype, waterprofiel, (zee)wind, et cetera). In sommige gevallen kan de groeiplaats worden aangepast, maar soms is het beter om een nieuwe boom te plaatsen. Bomen die niet goed groeien leveren geen of onvoldoende functiewaarden. Dit resulteert in een niet-duurzame boomsituatie, wat ook geldt voor het vervullen van de functiebehoeftes op die locatie wenselijk zijn. Afbeelding 5: De criteria van de conditiewaarden zijn gelijk aan de duurzaamheidcriteria. Er kan sprake zijn van een (ernstige) virusaantasting. Of dit verholpen kan worden, hangt volledig af van het type virus. Het planten van vijf zomereiken, die bekend staan als duurzame bomen, is niet de meest optimale situatiekeuze. Het diversifiëren van het assortiment om ziektes en virussen te voorkomen, biedt een veel duurzamere oplossing. Ten slotte: er kan in het verleden wortelschade zijn ontstaan, mogelijk zijn er in het verleden graafwerkzaamheden rond de boom geweest. Bij beperkte wortelschade is er vaak sprake van een tijdelijke vermindering van de conditie. In het geval van ernstige schade is de overlevingskans van de boom gering. Het verstrekken van water en het verbeteren van de bodemstructuur zijn mogelijke maatregelen die overwogen kunnen worden. Het beschermen van de groeiplaats, ook wel bekend als het beschermen van de kwetsbare boom- of wortelzone, is essentieel voor het waarborgen van een duurzame boomomgeving. Het beschadigen van (gestel)wortels is in het algemeen de hoofdoorzaak van het voortijdig uitvallen van bomen. De ondergrondse gevolgen van dergelijke wortelschade, bijvoorbeeld door graafwerkzaamheden, worden vaak jaren later pas zichtbaar (bij de inventarisatie van de boomconditie). Daarom is het van belang dat wortelschade wordt voorkomen. Op de poster "WERKEN ROND BOMEN" kan 5 soorten wortelschade terugvinden. Bijlage 1: Op de poster “WERKEN ROND BOMEN” worden 5 soorten wortelschade benoemd. Afbeelding 6: Op de poster “WERKEN ROND BOMEN” worden 5 soorten wortelschade benoemd.
- Omlooptijd, leeftijd en levensfase van bomen | Bomen-Online.info
Bomen kennen verschillende levensfasen en leeftijden. Lees meer over de werkelijke, theoretische en mentale leeftijd en de natuurlijke en economische omlooptijd. Bomen-Online.info Kennis & informatievoorziening voor: -- Boom en voor groene, grijze en blauwe buitenruimtes -- Boom Effect Analyses & Boom Effect Adviezen -- 2D en 3D Tuin- en landschapsoplossingen -- llustraties, visualisaties & kennisontwikkeling Inhoud: Hoe groter de boom hoe meer ondergrondse (groei)ruimte. Natuurlijke omlooptijden Economische omlooptijden Omlooptijden per functiegebied Het functiewaarden getal van een boom Bomen van de 1ste, 2de, 3de en 4de grootte Bomen van de 1ste grootte - Reguliere groei Bomen van de 1ste grootte - Snelle groei - Pioniersboomsoorten Bomen van de 2de grootte Bomen van de 3de grootte Bomen van de 4de grootte en overige Struiken en heesters. Divers leeftijden van een boom De Werkelijk leeftijd De Theoretische leeftijd Diverse levensfases (Mentale leeftijd) Groeiruimte en waterbufferingsmoglijkheden versus levensfases Div. Boomgroottes, Omlooptijden, Leeftijden en levensfases Er zijn 3 soorten omlooptijden. De natuurlijke omloop, de economische omloop en de omlooptijd per functiegebied. Het is algemeen bekend dat de levensduur van diverse boomsoorten sterk kan variëren. In 95% van de gevallen is de natuurlijke omloop of levensduur eenvoudig online te vinden. Een standaard vuistregel luidt: hoe hoger een boom kan groeien, des te langer is doorgaans zijn natuurlijke levensduur. Binnen de bomenwereld onderscheiden we 5 (soms 6) boomgroottes of categorieën, zoals geïllustreerd in afbeeldingen 3 tot en met 6. Deze illustraties worden vaak benoemd als Bomen van de 1ste, 2de, 3de en 4de grootte. Deze indeling biedt niet alleen inzicht in de omvang en potentiële hoogte van een boom, maar informeert ons ook over de economische en een natuurlijke levensduur, die doorgaans als 'omloop' wordt aangeduid. Daarnaast zijn er diverse soorten leeftijden, een werkelijke leeftijd, een theoretische leeftijd en een mentale leeftijd, die beter bekend staat als levensfase. Op verschillende pagina's heeft u waarschijnlijk al kunnen lezen dat de levensduur van de terrasplant aanzienlijk verlengd kan worden wanneer deze wordt verpot in een pot die vier keer groter is. De volgende vraag is dan of het zinvol is om de terrasplant in een nog grotere pot te plaatsen. Het antwoord daarop is zowel ja als nee. Hoe groter de boom hoe meer ondergrondse (groei)ruimte. Afbeelding 1 en 2: De terrasplant verpotten naar een veel grotere pot biedt toekomstmogelijkheden. Voor bomen is exact dezelfde theorie van toepassing. Ja, omdat de terrasplant dan meer zelfvoorzienend wordt; de voorwaarden met betrekking tot waterbuffering en capillaire werking worden zeker verbeterd. Echter, de levensverwachting van de plant zal niet substantieel toenemen, omdat deze terrasplant (een siergrassoort) zijn natuurlijke omvang min of meer al heeft bereikt. De plant zal zich iets beter ontwikkelen, maar hij zal zeker niet twee keer zo groot worden. Voor bomen van de 2de grootte (hoogte tussen de 6 en 12 meter) en 3de grootte (hoogte t/m 3 meter) is dezelfde theorie van toepassing. Deze bomen hebben van nature dan ook minder ondergrondse ruimte nodig dan bomen van de 1ste grootte (vanaf 12 meter en hoger). Elk levend organisme heeft een specifieke gemiddelde levensverwachting. Simpele voorbeelden van organismen zijn honden, katten, paarden, evenals tulpen en schimmels. Elk soort kan worden onderverdeeld in diverse rassen (of vergelijkbare categorieën). Zo bestaan er veel verschillende hondenrassen, waarbij elk ras weer zijn eigen natuurlijke levensverwachting heeft. Over het algemeen hebben grote honden en rashonden een kortere levensduur dan kleine honden. Deze theorie geldt ook voor bomen. De lengte van hun natuurlijke levensduur is bepaald en gedocumenteerd in het Handboek Bomen en wordt weergegeven tussen haakjes in de afbeeldingen 3 tot en met 6. Natuurlijke omlooptijden Economische omlooptijden Afbeelding 3 t/m 6: De bomenwereld is opgedeeld in 5 categorieën, die alle 5 een verschillende levensduur hebben. Ongeveer 65 a 70% van de bomen behoort tot de categorie 'bomen van de 1ste grootte' met reguliere groei, waarbij ze gemakkelijk 200 jaar of meer kunnen worden zolang hun groeiplaats maar voldoet aan de voorwaarden van de 3 à 5 vuistregels. Bij nieuwe aanplant is het echter niet realistisch om groeiplaatsen voor 200 of 300 jaar aan te leggen. Daarom heeft het Handboek Bomen streefwaardes opgesteld. Deze nader te noemen economische omlooptijden zijn te zien in Afbeeldingen 3 t/m 6. De hierboven genoemde economische omlooptijden zijn soms nog steeds aan de ruime kant en niet altijd realistisch in elke situatie. Het heeft bijvoorbeeld geen zin om bij het aanplanten van een nieuwe boom in een stedelijk gebied een groeiplaats voor 100 jaar aan te leggen, wetende dat de infrastructuur van een gemiddelde woonwijk om de 40 à 50 jaar vernieuwd moet worden, bijvoorbeeld vanwege de noodzakelijke vervanging van kabels en leidingen. Bij dergelijke werkzaamheden sneuvelen vaak oudere bestaande bomen. Daarom kiezen steeds meer gemeenten ervoor om hun eigen omlooptijden voor nieuw aan te planten bomen vast te stellen, op basis van het betreffende functiegebied. Omlooptijden per functiegebied Deze grote gemeente in de provincie Brabant heeft het gebied ingedeeld in verschillende functiegebieden. Aan elk functiegebied is een ambitieniveau en een omloopcyclus gekoppeld, wat van invloed is op de grootte (afmetingen) van de boomgroeiplaats bij nieuwe aanplant. Echter voor een particuliere tuin is het ook praktisch om vooraf een omlooptijd vast te stellen. Plattegrond functiegebieden. Figuur 1:. Deze gemeente heeft het areaal ingedeeld in diverse functiegebieden. Dit is bepalend voor de afmetingen van de boomgroeiplaats bij nieuwe aanplant. Het functiewaarden getal van een boom Op de pagina "Hoe belangrijk zijn bomen nu eigenlijk?" is al uitgebreid uitgelegd dat bomen en groen onmisbaar zijn voor onze samenleving. Op diezelfde pagina is ook duidelijk geworden dat hoe groter en ouder de boom is, des te groter zijn maatschappelijke bijdrage . Vooral het verschil tussen de diverse boomgroottes (Bomen van de 1ste, 2de, 3de en 4de grootte) maar ook het verschil tussen een natuurlijke en een economische omloop kan een aanzienlijke invloed op het functiewaarden getal. Elke groep bomen heeft een vastgestelde economische en natuurlijke levensduur. De duur van deze periodes is bepaald en gedocumenteerd in het Handboek Bomen. Het Handboek bomen fungeert als een leidende richtlijn voor vrijwel alle bomenrapporten en is erkend als een landelijke standaard voor het beheer en onderhoud van bomen. Tabel 1: Diverse boomgroepen en omlooptijden met de bijbehorende functiewaarde getallen. De bomenwereld is opgedeeld in diverse categorieën, waarbij een boom van de 1ste grootte hoger dan 12 à 15 meter. Bomen van de 2de grootte worden 6 tot 12 meter hoog en bomen van de 3de grootte blijven kleiner dan 6 meter. Daarnaast kun je een boom kunstmatig klein houden door hem vanaf het begin goed te snoeien. Bomen van de 1ste, 2de, 3de en 4de grootte Deze groep bomen heeft doorgaans de langste natuurlijke levensduur. Voorbeelden hiervan zijn: de meeste lindesoorten, diverse iepensoorten, vele beukensoorten en praktisch alle eikensoorten. Hun economische omlooptijd is ongeveer 100 jaar, maar met een effectief bomenbeheer kan hun omloop gemakkelijk worden verlengd met 50 tot 100 jaar. Sommige soorten (raadpleeg hiervoor gespecialiseerde bronnen) kunnen zelfs enkele honderden jaren oud worden en staan bekend als zeer duurzame bomen. Duurzaam investeren in deze bomengroep is doorgaans zeer efficiënt. Bomen van de 1ste grootte - Reguliere groei Afbeelding 3: De omlooptijd verruimen van bestaande bomen die vallen in de bomengroep van de 1ste grootte met een reguliere groei is vaak erg duurzaam. Bomen van de 1ste grootte - Snelle groei - Pioniersboomsoorten Bomen van de 1ste grootte die snel groeien, worden vaak aangeduid als pioniersboomsoorten. Deze bomen kiemen gemakkelijk en verschijnen spontaan, produceren snel en veel groenmassa, en leveren daardoor een aanzienlijke veel diverse functiewaarden . Echter, deze bomen hebben zacht hout en zijn mede daardoor gevoeliger voor ziektes en aantastingen, wat hun kortere levensduur verklaart. Hun economische omlooptijd is vastgesteld op 60 jaar. Voorbeelden hiervan zijn verschillende elsensoorten, de meeste wilgensoorten, en vrijwel alle populierensoorten. Hoewel de omloop van deze bomen ook kan worden verlengd, is de efficiëntie lager dan bij de eerder genoemde bomengroep. Bovendien hebben we het vaak over bomen met een aanzienlijke omvang, waardoor de investeringskosten voor duurzaam bomenbehoud relatief hoog zijn, terwijl hun omloop soms maar beperkt verlengd kan worden. Daarom moet altijd eerst de vraag worden gesteld welke conditie heeft de boom en kosten moeten er worden gemaakt om de levensduur van de boom enigszins te verlengen. Veel conifeerachtige bomen (ongeveer 70-80%), waarvan niet alle snelgroeiend zijn, hebben een kortere levensduur (gemiddeld 60 jaar), die doorgaans niet significant verlengd kan worden. Ongeveer 20 tot 30% van de conifeerachtige bomen behoort tot de categorie 'bomen van de eerste grootte met normale groei', en een beperkt aantal valt onder de categorie 'bomen van de 2de grootte'. Afbeelding 4: Bomen van de 1ste grootte met snelle groei (pioniersoorten) produceren een aanzienlijke hoeveelheid biomassa maar hebben een relatief korte levensduur Voorbeelden hiervan zijn een groot aantal lijsterbessoorten, de meeste meidoornsoorten, diverse hazelaarsoorten en bijvoorbeeld een moerbeiboom. Deze bomen zijn grotendeels gecultiveerd, waardoor ze doorgaans minder sterk zijn. Dit verklaart hun kortere economische omloop van ongeveer 60 jaar. Echter, met een duurzaam bomenbeheer kan hun levensduur aanzienlijk worden verlengd tot soms wel 100 à 150 jaar. Bomen van de 2de grootte Afbeelding 5: De levensduur extra verruimen van bestaande bomen die vallen in de bomengroep van de 2de grootte is doorgaans duurzaam. Bomen van de 3de grootte Voorbeelden hiervan zijn diverse sierkersen, sierappels, en bijv. een Goudenregen. Deze groep wordt gemiddeld 40 jaar. Hun levensduur is zeker wel te verlengen maar doorgaans niet heel royaal. Daarnaast willen we opmerken dat deze bomengroep nogal wat soorten bezit die gevoelig zijn voor ziektes (waar de boom dan vroegtijdig aan bezwijkt). Het is belangrijk om eerst te overwegen of duurzaam behoud van deze bomen zinvol is. Een boom draagt pas bij aan de maatschappij wanneer deze ouder is. De groenmassa boven de grond is hierbij het meest bepalend. Deze bomengroep zal echter nooit, zelfs niet op oudere leeftijd, veel groenmassa leveren in vergelijking met andere bomengroepen. De investeringskosten zijn doorgaans wel lager ten opzichte van boombehoud bij andere boomgroepen. Afbeelding 6: De levensduur verlengen van bomen die vallen in de bomengroep van de 3de grootte is niet altijd verstandig. Bomen van de 4de grootte en overige De levensduur van deze bomengroep varieert sterk en is afhankelijk van het specifieke boomsoort. Bomen die zijn geënt op een stam (zoals de Bolacacia of de Boltrompetboom) hebben doorgaans een beperkte levensduur van 20 à 30 jaar. Daarentegen kunnen lei-lindes zeer oud worden. De linde valt van nature binnen de categorie van bomen van de 1ste grootte, maar heeft als lei-vorm aanzienlijk minder ondergrondse ruimte nodig. In dergelijke gevallen blijft de 50:50-regel altijd van toepassing. Afbeelding 7: De levensduur verlengen van deze bomengroep is echt afhankelijk van het boomsoort Struiken en heesters Zeker binnen stedelijke gebieden is al het groen van groot belang. Ook struiken en heesters dragen bij aan diverse functiewaarden, maar hun bijdrage is niet gelijkwaardig aan die van bomen. Vooral grote bomen bieden aanzienlijke hogere functiewaarden getallen, zoals weergegeven bij de verschillende afbeeldingen. Afbeelding 8: Struiken en heesters zijn waardevolle groene elementen, maar zij hebben een lagere functiewaarde dan bomen Er zijn drie soorten leeftijden: een werkelijke leeftijd, een theoretische leeftijd en een mentale leeftijd, die vaak als levensfase wordt aangeduid. De werkelijke en theoretische leeftijd zijn belangrijk, omdat het nuttig is om te weten hoe oud een boom ongeveer is. Wij hechten echter vooral waarde aan de mentale leeftijd, omdat deze iets zegt over de huidige kwaliteit van de boom en de ondergrondse groeimogelijkheden. Deze verschillende 3 soorten leeftijdscategorieën kunnen echt aanzienlijk van elkaar verschillen. Diverse soorten Leeftijden De Werkelijk leeftijd De werkelijke leeftijd van een boom kan vaak eenvoudig worden vastgesteld door het jaar van aanplant te vergelijken met het huidige jaartal. De Theoretische leeftijd Echter, de datum van de aanplant is lang niet altijd beschikbaar. Mede daarom wordt er ook weleens gebruik gemaakt van een theoretische leeftijd. Hierbij wordt de stamdoorsnede op een hoogte van 130 cm boven het maaiveld gemeten, waarbij iedere centimeter overeenkomt met een bepaald tijdsbestek. We geven een voorbeeld: een boom van de 2de grootte heeft een stamdoorsnede van 22 cm. Deze 22 cm moet dan worden vermenigvuldigd met 1,25 jaar. De theoretische leeftijd zou dan afgerond 27 jaar zijn. Deze theoretische leeftijd dient wel als indicatie en kan aanzienlijk verschillen van de werkelijke leeftijd. Wanneer een boom slecht of minder snel groeit, wordt deze automatisch als jonger geclassificeerd, wat soms een heel verkeerd beeld kan geven. Tabel 2:Een indicatie tabel t.b.v. de leeftijdsberekening van diverse boomgroepen. Diverse levensfases (De mentale leeftijd) Bij ons mensen zit er een verschil tussen een werkelijke en een mentale leeftijd. Ditzelfde geldt voor bomen en planten. Om dit uit te leggen, gebruiken we weer het voorbeeld van de terrasplant. Als u situatie 1 met de verwijderde pot bekijkt, dan ziet u een enorme witte wortelmassa die zich niet verder kan ontwikkelen. Deze terrasplant zal dan ook geen jaar meer meegaan op uw terras. Hij zal beetje bij beetje wegkwijnen. Afbeelding 9: Aan de hand van een terrasplant worden er diverse situaties weergeven die ook van toepassing zijn op een boom Situatie 1 Situatie 2 Situatie 3 Situatie 4 Als we de terrasplant 1 en 2 zouden vergelijken met de bomentabel volgens Figuur 1, dan zal deze ingeschaald worden volgens levensfase 7 of 8. Hij zal uiteindelijk gaan omschakelen naar fase 9 en 10, waar hij sterft. Zijn toekomst wordt verruimd zodra u de terrasplant verpot naar een veel grotere pot, volgens Situatie 3. De groei en waterbufferingsmoglijkheden worden zo in ruime mate verruimd, waardoor de terrasplant nu ingeschaald kan worden bij levensfase 5 en 6. Figuur 1: diverse levensfases van een boom, van jong t/m aftakeling Je kan vrijwel nooit zeggen: “die boom wordt zo hoog” (zoals vaak wel beweerd wordt op internet). De omstandigheden waarbinnen een boom zich bevindt zijn immers heel invloedrijk op de ontwikkeling, waarbij de ondergrondse groeiruimte, de waterbufferingsmoglijkheden en de capillaire werking een hele belangrijke rol spelen. Een mooi voorbeeld zijn de ‘verschillende grondwaterprofielen’ , waarbij de ondergrondse groeiruimte per profiel in het lichtbruin wordt weergegeven. Groeiruimte en waterbufferings- mogelijkheden versus levensfases Figuur 3: Weergave van 5 soorten grondwaterprofielen, die allemaal een andere uitwerking hebben op de ontwikkeling van een boom. Een te hoge grondwaterstand Grondwaterprofiel Contactwaterprofiel Hangwaterprofiel Een diepliggend schijnwaterprofiel 1 Een hoogliggend schijnwaterprofiel 2 Stel dat we 40 jaar geleden bij alle 6 de verschillende waterprofielen exact dezelfde boommaat hadden aangeplant, ervan uitgaande dat de overige criteria zoals infiltratiemogelijkheden en bodemsamenstelling 100% vergelijkbaar zijn. Dan zouden volgens Figuur 3 ongeveer deze verschillende boomgroottes zijn ontstaan. Ook de levensfase van elke boom zou verschillend zijn. De boom die is afgebeeld bij “een te hoge grondwaterstand” bevindt zich in levensfase nummer 8. Hoewel de boom met het grondwaterprofie l vier keer zo groot is qua kroonomvang, bevindt deze boom zich slechts in levensfase nummer 5 of 6. De boom met het hangwaterprofiel blijft achter in groei, hij kan namelijk het grondwater niet bereiken. Maar dit betekent niet automatisch dat hij in een slechte levensfase verkeert. De grondkwaliteit en de waterhuishoudmogelijkheden zal doorslaggevend zijn, er is immers genoeg ondergrondse groeiruimte. Figuur 3: Een weergave van 4 verschillende grondsoorten die allemaal een andere uitwerking hebben op de ontwikkeling van een boom. De invloed van de grondkwaliteit en grondsamenstelling kunnen we op eenzelfde manier weergeven. Als we 40 jaar geleden overal, bij alle 4 de diverse grondsamenstellingen, exact dezelfde boom aangeplant zouden hebben en we er wederom vanuit gaan dat de andere voorwaardes, zoals het grondwaterprofiel, 100% vergelijkbaar zijn, dan zullen er verschillende boomgroottes ontstaan. Het ene bodemtype biedt immers gewoon betere voorwaardes dan de andere bodemtype. Lees hierover meer op de informatiepagina 'bodemtypes versus bomen'.
- Grafische groen, grijze en blauwe concepten | Bomen-Online.info
Grafische groen, grijze en blauwe concepten en visualisaties voor buitenruimtes, met technische illustraties, presentaties, doorsneden en projectgerichte verbeeldingen. Grafische Groene, Grijze en blauwe concepten Bomen-Online.info Illustraties & Verbeeldingen voor: -- Boom en voor groene, grijze en blauwe buitenruimtes -- Boom Effect Analyses & Boom Effect Adviezen -- 2D en 3D Tuin- en landschapsoplossingen -- llustraties, visualisaties & kennisontwikkeling Illustraties en verbeeldingen vormen een belangrijk onderdeel van onze boom-, groen- en civieltechnische adviezen en rapportages. Al ruim 25 jaar gebruik ik grafische verbeeldingen om technische informatie, beleid en ontwerp op een duidelijke en toegankelijke manier inzichtelijk te maken. Creatieve Grafische Groen concepten Goed bomenbeleid begint met duidelijke doelstellingen en een helder beeld van de bestaande en gewenste situatie. Met kaarten, schema's en illustraties kunnen onderwerpen als bomenbeleid, groenstructuren, biodiversiteit en klimaatadaptatie ook voor een bredere doelgroep inzichtelijk worden gemaakt. Van bomenbeleid naar een heldere verbeelding Beleidsdoelstellingen krijgen meer betekenis wanneer zichtbaar wordt wat ze in de praktijk betekenen. Denk aan voldoende kroonbedekking, behoud van oudere bomen, meer biodiversiteit en het creëren van draagvlak voor duurzaam bomenbeleid. Doelstellingen voor bomen en groen Van boomdoelstellingen naar uitvoering Uiteindelijk moeten doelstellingen ook uitvoerbaar zijn. Illustraties helpen om maatregelen rond boomonderhoud, groeiplaatsen en werken rond bestaande bomen helder weer te geven en vormen daarmee de verbinding tussen beleid, advies en uitvoering. Technische en creatieve oplossingen voor tuin en landschap, voor boom-, groen- en klimaatadaptatie
